Ik sleet eertijds mijn leven,
Mijn jeugd en beste dagen,
Te dwaas bij ’t letterpeinzen.
Ik oefende me in talen;
Studeerde en oude en nieuwe
En veel onnuttige zaken;
Begraven tussen de boeken:
En spotte vele nachten,
Veel slapeloze nachten,
Met Hypnus

milde gunsten.
Maar zeer gelukkig werd ik
Genezen van mijn dwaling;
Dankzij des gods vermogen!
’t Gebeurde eens in het holst
Van een van de langste nachten,
Toen ik in Zelandus

,
Mijn lieveling, zat te lezen,
Dat Hypnus, die ik tartte,
Met onweerstaanbare krachten
Van mijne doffe zinnen
Zich plotseling meester maakte.
Door zoete droom betoverd,
Zag ik de ongeziene
En jonge god. Hij stortte
Zijn rijke vulhoorn over
Mijn schedel uit, en zalfde
Mij tot zijn heilige priester;
En schonk mij ’t Lesbisch speeltuig

.
Vanaf toen leerde ik slapen.
Vanaf toen werd ik dichter.