literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Romantiek kan begrepen worden door op vier punten te letten. In de eerste plaats moet kunst origineel zijn, in vorm en inhoud. In de tweede plaats is er in de Romantiek veel aandacht voor de onverklaarbaarheden van het leven. In de derde plaats staat geschiedenis niet los van het leven, maar hoort die erbij. In de vierde plaats is de tegenstelling het voornaamste middel in de kunst.

Romantiek in Nederland
De Romantiek verspreidde zich over Europa als een virus. Overal waren dichters, schilders en romanschrijvers te vinden die de nieuwe kunststroming aanhingen.

Het woord romantiek alleen al deed brave huismoeders schrikken, zo schreef een criticus in een Nederlands blad. Vooral de Engelse romantische dichter Lord Byron en de Franse schrijver Victor Hugo waren gevreesd. De Nederlandse dichter W. Hecker schreef een lang stuk tegen de Romantiek. Hij noemde Byron een schrijver van poëzie uit de hel. De Romantiek zag hij als een ziekte. Krankzinnigheid en dronkenschap paren met wildheid en woestheid. De Romantiek is als een mooi meisje, zo zei Hecker, maar er zweeft een helse trek om haar lippen. Ze sleept haar slachtoffers mee naar de afgrond, haar zoete tonen worden addergesis.

Dit is een overdreven beeld van de Romantiek als een kunststroming die zich zou kenmerken door destructie, waanzin, overdrijving en streven naar het onmogelijke. Dit beeld is slechts van toepassing op het leven van enkele individuele kunstenaars die inderdaad de grenzen van de maatschappij verkenden, zoals Lord Byron. Ook is destructie terug te vinden in de karakters van romanhelden uit de Romantiek, bijvoorbeeld in Heathcliff uit Emily Brontë’s Wuthering Heights. Maar obsessie met de ondergang is niet datgene wat de Romantiek kenmerkt.

Kenmerkend zijn een viertal begrippen. In de eerste plaats is van belang originaliteit. Oude vormvoorschriften en oude genre-indelingen verdwijnen ten gunste van nieuwe vormen. Kunstvormen mogen gemengd worden: in een roman kunnen brieven, gedichten en liederen voorkomen. Met de originaliteit hangt ook het individualisme samen. Er is geen standaard, iedereen moet zijn eigen vormen zoeken.

In de tweede plaats werden de kunstenaars gefascineerd door de onverklaarbaarheden in het leven. Allerlei mysterieuze randverschijningen en onheilsplekken, spoken, levende doden, heksen, voorspellingen boeiden hen meer dan de realiteit.

Ondanks de breuk met de traditie is `geschiedenis’ het derde kernwoord van de Romantiek. In de kunst werd het verleden hergebruikt. De architectuur oriënteerde zich op de stijl van het verleden. De treinstations die gebouwd werden voor een totaal revolutionair vervoersmiddel, grepen terug op de vormen van kathedralen of paleizen. De Middeleeuwen leken onuitputtelijk te zijn in het leveren van stof voor romans, dichtverhalen of schilderijen. Het verleden zit in het heden. In de mens schuilen zijn voorvaderen en zijn nageslacht, en zij maken deel uit van zijn hele bestaan. Zoals een medicus onder het menselijk vlees het skelet ziet, zo ziet de romanticus door de hedendaagse verschijningsvorm heen de historie.

Het vierde kernwoord is contrastwerking. In een tijdloos landschap staat een ruïne. Een onschuldige deerne wordt belaagd door een verleider. Het kind wordt geboren, de moeder overlijdt. De sneeuw valt in de donkere nacht. Het meisje met de zwavelstokken bevriest terwijl ze naar een vuur kijkt. Eeuwig staat tegenover tijdelijk, zuiver tegenover onzuiver, schuld tegenover onschuld, verleden tegenover heden, het eigene tegenover het vreemde, geweld tegenover vredigheid, originaliteit tegenover navolging, zelfbeheersing tegenover hartstocht, verval tegenover bloei, hoop tegenover wanhoop, stilstand tegenover beweging, leed tegenover vreugde, landschap versus stad, hemel versus aarde, begin tegenover einde, dood tegenover leven. De veelheid aan en opeenhoping van contrasten in stijl en inhoud, die steeds zo confronterend mogelijk tegenover elkaar gezet worden, zijn kenmerkend voor de Romantiek.

Wie zijn in Nederland de belangrijkste romantische schrijvers? In de eerste plaats kan Willem Bilderdijk genoemd worden. Hij dichtte omvangrijke werken over de oorsprong van de wereld, waanzinnige berijmingen van ziektebeelden, en grote leerdichten over het wezen van de poëzie. Contrastwerking was een belangrijk stijlmiddel voor hem, en hij probeerde nieuwe genres uit. Poëzie was voor hem:

Uitstorting van gevoel dat lucht eist, dat zich vermeerderen, dat zich uitspreken, dat zich vermenigvuldigen moet, en anders zou het hart barsten en de geest vervallen tot de overspanning van de razernij. Wie dit niet meegemaakt heeft, wie niet weet wat de onweerstaanbare dronkenschap van het gevoel is die men Poëzie noemt, wie zich koel en kalm in zijn leunstoel neerzet om een vers te maken, wie zich dat wat hij zeggen wil bedenkt, dit in woorden onderbrengt, deze woorden in een maat zet en het rijm bij die verzen zoekt... laat, o mijn vrienden, laat deze welmenende sukkel zijn troostrijke inbeelding, maar u zult nooit misleid worden om deze man voor een Poëet te houden of zijn nietige koude voortbrengselen als Poëzie te zien.

Bilderdijk beoefende ook een van de typische genres van de Romantiek: het historisch dichtverhaal. Dit oude middeleeuwse genre werd in de vroege negentiende eeuw opnieuw geïntroduceerd door de befaamde Engelse schrijver Walter Scott. In Nederland is het vooral bekend geworden door Jacob van Lennep en Nicolaas Beets. Nicolaas Beets is de schrijver van het dichtverhaal Guy de Vlaming. Hierin blijkt een kruisridder zonder het te weten met zijn eigen zuster getrouwd te zijn. In een vlaag van waanzin vermoordt hij zijn vrouw, en daarna bezwijkt hij zelf in zijn gekte.

Walter Scott was ook degene die het nieuwe genre van de historische roman tot een hype in Europa maakte. Het ging hem erom de botsing der mentaliteiten van verschillende groepen in de samenleving weer te geven. Als centrale figuur koos hij vaak een personage dat zich door zijn beroep in verschillende lagen van de maatschappij kon bewegen, zoals een dokter of een predikant. In Nederland werd het genre opgepikt door Aernout Drost en Jacob van Lennep. Later voegde A.L.G. Bosboom-Toussaint zich daarbij. De meest romantische historische romans schreef J.F. Oltmans. De schaapherder uit 1838 is een spannende vertelling over Jan van Schaffelaar en zijn doodsvijand Perrol met de Rode Hand. Lugubere heksentaferelen wisselen hier de beschrijvingen af van de lege heide. De heks van Hunnenschans wordt zo beschreven :

Hare oogen glinsterden als twee vuurballen; eenige lange, zwarte haren hingen over haar voorhoofd langs haar neus, en als zij den mond opende zag men, dat zij nog eenige tanden had, die wit waren.

Als een jongen haar wil helpen en `oude’ tegen haar zegt wordt ze furieus:

“Oude! Oude vrouw!” riep zij toornig en met den stok slaande, dien zij in de hand had, `mijn meester is oud; ha, ha! die is oud, maar ruiters moeten altijd jonge deernen hebben, ha! Is het niet waar? Zeg maar liever heks of tooverkol, mijn jongen! maar spot niet.” Dit zeggende, begon zij een helsch gelach aan te heffen, en riep op eens, terwijl zij in het rond sprong van blijdschap: `De meester rijdt, toe maar! o, o! dat gaat er door.”

In Leiden waren in de jaren dertig enige schrijvende studenten die een `romantische club’ oprichtten. De studenten droegen elkaar gedichten voor van buitenlandse romantici, of zij lazen eigen werk voor. De bekendste van deze studenten zijn Nicolaas Beets (Hildebrand), Johannes Hasebroek (Jonathan) en Jan Kneppelhout (Klikspaan). In hun ogen was de dichter een genie, die boven de gewone mensen staat, omdat hij zicht heeft op een hogere werkelijkheid. De Leidse auteurs noemden later deze periode hun `zwarte tijd’.

Verder lezen
Een typisch romantisch, contrastrijk schilderij. Nietigheid van de mens tegenover het immense landschap, levende arbeiders naast een rouwkoets op weg naar de begraafplaats, donkere wolken en licht op het korenveld, waterval tegenover een vrijwel dode eik, hoge bergen tenover een vlakte.
Illustratie uit de historische roman De Schaapherder van J. Oltmans (J.F. Oltmans, De schaapherder. Een verhaal uit den Utrechtschen oorlog (1481-1488). De Kern, Bussum z.j. [1979] (fotomechanische herdruk van de eerste uitgave z.j. (1837)), p. 256).
Tekening door O.Veralby van de Leidse Rederijkers-kamer voor Uiterlijke welsprekendheid, waar romantische studenten bij elkaar kwamen (Klikspaan, Studentenleven. Leyden 1844. 1e druk t.o. p. 376).
De eerste stations waren bouwwerken in een neogotische stijl. Het leken kruisingen tussen een middeleeuws kasteel en een kathedraal. .