Middelen tot heyl en deuchde. Tweespraak
Zang

: ‘Schoon Amarillis, zegt wat u wil is’
Klager: Ay my! wat plagen!
Trooster: Wie hoor ik klagen?
K: Een mens, gedrukt door veel ellenden.
T: Daar is geen kwaad zo groot of God kan ’t wenden.
K: God wendt geen zondaars kwaad.
T: Ja, als hij zonde laat

.
K: Maar die niet kan, wat raad

?
T: God kan raad zenden.
K: ’k Wil, maar mis krachten.
T: Kracht wast

door trachten.
K: Kwâ wenst

maakt trachten onvermogen.
T: Kwâ wenst wijkt door omzichtig tegenpogen.
K: Naar wenst te doen, is zoet.
T: Naar raad te doen, is goed.
K: Wenst wordt te sterk gevoed.
T: Maar ’t is door logen

.
K: Wat voedt kwâ wennis

?
T: Gebrek van kennis.
K: Hoe kan de kennis deugde werken

?
T: De kennis doet elks dings waardije merken

.
K: Wat brengt dat merken in

?
T: Of groot’ of kleine minn’.
K: Helaas, domheid van zin…
T: kan ondeugd sterken!
K: Wat raadt tot

domheid?
T: Merkt

waar ’t pad krom leidt.
K: Wat vordert

om daar toe te raken?
T: Met hert en ziel geheel tot Godt te naken

.
K: Hoe naakt men God?
T: Te met

.
K: Hoe eerst?
T: Door rein gebed.
K: ’t Hert is te zeer bezet met aardse zaken.
T: Maak ruimt’ van binnen.
K: Hoe zal ’k beginnen?
T: Hoe groot uw nood is, overwegen.
K: Wat nutheid is daarin voor mij gelegen?
T: Noods kennis die port aan.
K: Waartoe?
T: Tot God te gaan.
K: ’k Wil, naar uw raad, bestaan

.
T: Goê wil krijgt zegen.