Brugge
Elk vogel, op zijn best
gaat vlechten zijnen nest,
en hem

tot broeden voegen

.
Den lieven nachtegaal,
met zijn muziekse taal,
wil ’t allemaal genoegen.
Damme
Op dezen nieuwen tijd
zo wordt het al verblijd,
wat leven heeft ontvangen.
Al wat er gaat te rust,
begint met groten lust
naar morgen te verlangen.
Vlaanderen
En ik, helaas! En ik, verwezen

tot het zorgen,
ellendig Vlaanderland, moet vrezen voor den morgen.
Wanneer den tijd van ’t jaar ten schoonsten komt te staan,
dan komen aldereerst mijn meeste vrezen aan.
De posten

komen op met overdroeve maren

:
hoe dat de Geuzen

hier, de Franse daar vergaren.
Van ’t Oosten komt den Geus, van ’t Westen komt den Frans,
en voeren tegen mij, elk zoveel duizend mans.
Zou ik te ruste gaan, de klinkende trompetten,
die komen gans de nacht mijn slaperust beletten.
Zoek’ ik wat mijn vermaak, dien hollen trommelslag
maakt mij een deuzig

hoofd den gans gehelen dag
Ketterije
Wat klaag je Vlaanderland, jou blinde, dom, en dove,
het is je eigen schuld, jou kranke van gelove

.
Had jij me dan geloofd, als ik ’t je heb gezeid,
je waart al uit ’t jok

, en in je vrijigheid.
En zie je niet, hoe ik mijn vrijgevochten landen
al zoetjes heb verlost uit hunnen vijands handen?
Gans Zeeland is in vree

, gans Holland is in rust;
als ik mijn oorlog voer, ik voer z’op jouwe kust.
Vlaanderen
Is ’t waar?
Sluis
Hoe Vlaanderland! Moet jij dit ook nog vragen?
Je ziet ’t alle jaar, je proeft ’t alle dagen
wat doren

dat ik ben in jouwen leeuwenvoet

.
Aardenburg
En ik, ik ben d’r ook, zo jij wel kennen moet.
Gebuurtjes, Brug’, en Damm’, je meugt getuigen wezen
hoe menigmaal dat wij, en ook lang voor dezen

,
jou hebben, van niet ver, gekeken in je kaart.