literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Literatuur kan over alle gebeurtenissen in de wereld gaan. In de Nederlanden schreven de dichters tussen 1610 en 1620 passionele liefdespoëzie maar ook vrome godsdienstige verzen en felle pamfletten over de politieke en religieuze spanningen in het Twaalfjarig Bestand.

Literatuur op drie fronten
Uit een onverwachte pen vloeien vlammende petrarkistische liefdesverzen. Intussen steunen de dichters in het zuiden de contrareformatie en kiezen die in het noorden partij in de politiek-religieuze conflicten.

In 1613 verscheen in Antwerpen De weerliicke Liefden tot Roose-mond van de Vlaamse dichter Justus de Harduwijn, een bundel met petrarkistische liefdespoëzie. De Harduwijn verklaarde op de titelpagina trots dat hij Griekse, Latijnse en Franse dichters geïmiteerd had. Verder volgde hij ook het werk van Jan Van der Noot na, een van de bekendste en meest vernieuwende Zuid-Nederlandse dichters uit het laatste kwart van de zestiende eeuw. Enthousiast dichtte De Harduwijn over het plezier en de spanning van de liefde:

O blond-gestruiveld haar! haar dat de Zonn’ beraait,
dat mijn jonk-jarig hert houdt zo strange bevangen.
O tanden van ivoor! o sneewwittige wangen,
die t’pinceel van Apell’ met purper heeft befraaid!

O lipjes daaruit dat liefde zijn schichten zaait!
O mond daaruit dat stort de jeugd haar zoete zangen.
O wel-besneden hand, die om mijn pijn t’herlangen
ontsteekt van nieuws de toorts, die eens was uitgewaaid.

O oogskens, biênde vreugd en droefheid van gelijke!
O borstjens die bezit Cupido voor zijn rijke!
O keel, diens zoet geluid zolang in d’ore blijft!

O kuskens, die mij dwaas ijdel troost-hope geven!
O zoet-zurige spraak, die nu smeekt, en nu kijft!
Gij doet mij duiz’maal s’daags hersterven en herleven.

De Harduwijn tekent zichzelf dus als een petrarkistische minnaar. Net als in de poëzie van de Italiaan Petrarca (1304-1374) doorleefde hij de wisselende stemmingen van de liefde. Zijn humeur wordt bepaald door zijn vriendin, die hem met haar schoonheid en gedrag beurtelings wanhopig en dolgelukkig maakt.

De Harduwijn was op het moment dat hij deze gedichten publiceerde al zes jaar rooms-katholiek priester. Dat een dienaar van God, die beloofd had celibatair te leven, ooit dit soort gedichten geschreven had, zorgde voor opschudding. Om herkenning te voorkomen publiceerde de dichter De weerliicke Liefden tot Roose-mond anoniem, maar zijn identiteit werd al snel achterhaald. Uit alle macht probeerde De Harduwijn de schade te herstellen: hij liet de oplage van zijn bundel vernietigen. Daarin slaagde hij bijna: van het boek is nu nog maar één exemplaar over, dat bewaard wordt in de universiteitsbibliotheek van Gent. In De Harduwijns volgende bundel, de Goddelicke Lof-Sanghen uit 1620, stond alleen nog maar religieuze poëzie en in het voorwoord betuigde de priester spijt voor het ‘Venus gejanksel’ uit zijn jeugd.

In de Zuidelijke Nederlanden was rond 1610 een nieuwe periode van welvaart aangebroken. In 1600 hadden plaatsvervangers van de Spaanse koning, de aartshertogen Albrecht en Isabella, hun ‘Blijde Intrede’ in Gent gehouden. De achttienjarige Justus de Harduwijn was als leerling-jezuïet actief bij de verwelkoming betrokken omdat hij een gedenkboek hielp maken. In het kielzog van de jezuïeten schreven veel Vlaamse dichters uit die tijd religieuze literatuur die de contrareformatie – het offensief dat de katholieke kerk tegen de Reformatie had ingezet – moest helpen verspreiden onder een breed publiek. Met lied- en embleemboeken werden gelovigen aangezet tot meditatie en bezinning op Gods Woord.

In de Noordelijke Nederlanden drong het petrarkisme eveneens verder door. De uitgevers zagen wel brood in de nieuwe literatuur en begonnen elkaar er zelfs mee te beconcurreren. De felle strijd tussen de Amsterdammers Dirk Pietersz. Pers (1581-1659) en Willem Jansz. Blaeu (1571-1638) zorgde ervoor dat Amsterdam de belangrijkste plaats van productie van Nederlandse dicht- en liedbundels werd. Onder de schrijvers van deze bundels met liefdespoëzie bevinden zich de grote namen uit de Nederlandse literatuur: Hooft, Bredero, Heinsius, Tesselschade Visscher, Huygens. Reacties die tegen deze liefdespoëzie ingingen, waren er ook. Het petrarkisme riep zo anti-petrarkisme op.

Maar intussen had de Republiek in het noorden grote problemen. Weliswaar lag de strijd met de Spanjaarden stil wegens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), maar door interne politieke en religieuze twisten brak er bijna een burgeroorlog uit. Het conflict spitste zich toe op de vraag hoe het begrip predestinatie precies omschreven moest worden en op de vraag wie de hoogste macht had: de bestuurders in de Staten-Generaal of de aanvoerder van het leger, stadhouder Maurits van Oranje. Anders dan de zuidelijke dichters gebruikten de noordelijke de literatuur niet zozeer om hun lezers tot religieuze overdenking aan te zetten. Zij bestookten hen met vlijmscherpe pamfletten en hekeldichten over de verschillende partijen in het conflict, vooral de stadhouder en de contraremonstranten enerzijds, en raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt en de remonstranten anderzijds. Zo lokte het schijnproces dat tegen Van Oldenbarnevelt werd gevoerd en dat in 1619 eindigde met diens publieke terechtstelling wegens (zogenaamd) landverraad, felle kritiek uit.

Verder lezen
Justus de Harduwijn was priester en verzweeg daarom zijn naam op de titelpagina van zijn bundel met liefdespoëzie, De weerliicke Liefden tot Roose-mond.
In petrarkistische gedichten werd de ideale vrouw zo vaak op dezelfde wijze beschreven dat de Zuid-Nederlander Chrispijn de Passe dit modelportret van ‘La bell Charité’ tekende. Gravure van M. van Lochem.