Vaart wel, scepters, vaart wel, vaart wel, verheven tronen,
verheven zo, dat mij van uwe steilheid ijst,
vaart wel dwingend gewaad

, en al te zware kronen,
afgoden die met wind uw ijdle dienaars spijst.
Uw ijdle dienaars gij duizenderleie nood b’reidt

,
door uw beloften loos

die gij zo kwalijk houdt,
want zij, beziet men ’t wel, verklenen

in de grootheid,
slaven in d’heerschappij, verarmen in het goud.
Een lage en diepe rust mij beter mag verkwikken,
die mij te zamen smelt met een lief ander-ik:
ik laat

u, warrig hof, en kies voor zoveel strikken

,
een al veel strenger

, maar och, hoeveel zoeter strik!
Bedauwde bloemkens vers, en gij blozende rozen
die uwen mantel groen nu effen opendoet

,
welkom, en dank dat gij verkwikt mijn ademlozen,
en afgepijnden geest met uwen asem zoet.
Nu biggelt op het gras, en kruidjens onbetreden,
mijn lauwe traantjens, die den dauw zo wel gelijkt:
traantjens niet meer van smart, niet meer van bitterheden,
maar van een teêr gemoed, dat schier

van vreugd bezwijkt.
O bomen schaduw-mild, ootmoedelijk

laat dalen
uw nijgend

hoofd als gij ’t eerwaardig aanschijn

ziet,
leidstar en morgenstar met weerlichtende stralen

,
indien mijn blijdschap

slaapt, waarom wekt gij hem niet?
Vrolijke vogeltjens, die nu 't begint te dagen,
met uitgelaten zang het stille woud ontrust,
gij nachtegaal voor heen

, vlied uit de boodschap dragen,
dat hij zich haast, ik wacht alhier mijn lieve lust.