Saul
Gaat, roept het wijf tot mij, terwijlen dat ik wacht.
Echo
Wacht.
Saul
Wat zegt gij, wie ben ik, dat gij mij niet en acht?
Wacht, hoe wacht, wie wachten, hoe zult gij mij bevelen?
Pashur
Nee, heer, ’t is in het hol, de holligheid doet spelen,
den weerklank van onz’ stem, want ik en ben het niet.
Echo
Niet.
Saul
’t Zal Pythonissa zijn die onzen raad bespiedt.
Treedt nader, vraag ’t haar, spot zij, ’t zal op haar keren

.
Echo
Eren.
Saul
Eren ’t is ver van daar

, maar ik zal ’t u verleren.
Haast u, ziet of zij ’t is, is zij ’t, met haar komt hier.
Echo
Komt hier.
Pashur
Hier ben ik; wie zijt gij die maakt al dezen tier

?
Vertoont u in het licht, laat zien oft wij u zoeken.
Echo
Zoeken.
Saul
Wij zoeken evenzeer, ja schier

dat wij ’t vervloeken
indien de zoeker vindt, zo

doet men ons onrecht.
Echo
Recht.
Saul
Waarom recht, wien zijn wij, dat gij ons acht zo slecht

!
Komt boven oft wijst mij den weg om daar te komen,
beroemde stoutheid wordt door eenzaamheid benomen

.
Ik hoor voeten, gerucht. Zijt gij ’t Pythonissa?
Echo
Ja.