literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Hendrik van Veldeke, die leefde in de tweede helft van de twaalfde eeuw, is de eerste Nederlandse schrijver die we bij naam kennen. We moeten hem wel delen met onze Duitse buren: zijn werk wordt namelijk zowel tot de Duitse als de Nederlandse literatuur gerekend. Niet vreemd, wanneer je bedenkt dat hij leefde en werkte op de grens van twee taalgebieden.

Hendrik van Veldeke
Hendrik van Veldeke is de oudste bij naam bekende Nederlandse schrijver. Zijn werk is onderdeel van een internationaal literair netwerk.

Veldeke is afkomstig uit het Maasland, uit de omgeving van Hasselt in Belgisch Limburg. In die streek treffen de Nederlandse en Duitse taal en cultuur elkaar en in Veldekes tijd bloeiden hier de kunst en de economie. Veldeke was een ontwikkeld man en hij kende goed Latijn en Frans. Hij schreef een heiligenleven over Sint Servaas (de Servaaslegende) in zijn moedertaal, het Limburgs.

In 1174 begon hij aan een ridderverhaal over de Trojaanse held Eneas. Veldeke baseerde zich op een Franse roman die kort daarvoor was gedicht. Hij was kennelijk goed op de hoogte van de nieuwste literatuur. Aan de Eneasroman is een bijzonder verhaal verbonden. Veldeke had een boek met de tekst bij zich tijdens een bruiloft in Kleef (niet ver van Nijmegen) en liet het daar zien. En hoewel de roman nog niet af was, werd het manuscript gestolen door de broer van de bruidegom. Pas negen jaar later kreeg Veldeke het boek terug en kon hij het voltooien.

De diefstal laat zien hoe populair het werk van Veldeke was. Ook de hoofse minnepoëzie die hij schreef, was geliefd aan de adellijke hoven. Van deze liefdesliederen zijn er zo'n dertig bewaard. De meeste liedjes beginnen met een verwijzing naar de natuur, die de dichter in een bepaalde stemming brengt. In het volgende lied verlangt de dichter naar zijn geliefde thuis, die hem al even blij maakt als de vogels die hij hoort zingen:

Fragment voorgelezen door: Frank Willaert
Ez tuont diu vogelîn schîn,
Daz siu die boume sehent gebluot,
Ir sanc machet mir den muot
Sô guot, daz ich vrô bin
Noch trûric niht kan sîn.
Got êre sî, diu mir daz tuot,
Al über den Rîn,
Daz mir der sorgen ist gebuot,
Aldâ mîn lîp verre ist in ellende.

De liederen van Hendrik van Veldeke behoren tot een internationaal netwerk van middeleeuwse liefdeslyriek. In het twaalfde-eeuwse Frankrijk zongen de troubadours en trouvères hun minneliederen, die al gauw over heel Europa bekend raakten. Wie de liederen onderling vergelijkt, ziet dat dichters nogal eens beeldspraak en motieven uit elkaars poëzie overnemen, vaak voorzien van speelse variaties. Zo is het ook met het bovenstaande liedje van Veldeke. Het begint met een beeld uit de natuur, waarin de stemming van de dichter tot uitdrukking komt. Honderden middeleeuwse liederen beginnen met zo'n Natureingang.

Hendrik van Veldeke moet een professioneel dichter zijn geweest, die zich richtte op hoge heren en vrouwen. Dat lukte hem wonderwel, want hij verbleef zelfs enige tijd aan het hof van de Duitse keizer, een van de machtigste mannen van zijn tijd.

Verder lezen
Hendrik van Veldeke, miniatuur uit de beroemde Codex Manesse .
Eneas komt na een zware storm aan land in Carthago. Koningin Dido ontvangt hem en de twee worden verliefd. Maar Eneas moet verder, aangespoord door de goden. Dido is wanhopig en pleegt zelfmoord. Afbeelding uit de Eneasroman van Hendrik van Veldeke.