Tot in de elfde eeuw werden handschriften vooral in kloosters gemaakt, in het zogenaamde scriptorium (van het Latijnse scribere = schrijven). Met de opkomst van de kathedraalscholen in de twaalfde eeuw, en universiteiten in de dertiende eeuw, verschenen er in de buurt van deze onderwijscentra ook boekateliers, waar beroepskopiisten handschriften maakten en verkochten. Het waren kleine winkeltjes waar vaak één persoon aan het werk was. Op de afbeelding hierboven zie je zo'n kopiist. In zijn rechterhand heeft hij een pen vast en in zijn linkerhand een pennenmes. Bovenop zijn lessenaar staat de legger, het voorbeeld dat hij wil kopiëren, en vlak voor zich heeft hij een vel perkament waarop hij het afschrift aan het schrijven is. Het is al voor de helft af. Van tevoren heeft de kopiist er lijntjes (liniëring) op aangebracht, om recht te kunnen schrijven. Op de legger en het afschrift ligt een gewichtje om te voorkomen dat het boek dichtklapt en het perkament omkrult. Bovendien geeft het aan waar hij precies gebleven is. Om zich heen heeft hij allerlei schrijfgerei. Zo zie je aan de linker zijkant van zijn lessenaar drie inktpotjes. In de boekenkast liggen twee reservepennen, een bril, nog drie inktpotjes en allerlei boeken en perkament.
|
Verder lezen
- Katharina Smeyers, Schapenvellen en ganzenveren: het verhaal van het middeleeuwse boek. Leuven, Davidsfonds/Infodok, 1999.
- De Universiteitsbibliotheek in Heidelberg heeft een scriptorium met voorbeelden uit de Duitse boekproductie.
- Wie niet alleen wil zien hoe een middeleeuws boek gemaakt wordt, maar bovendien zelf aan de slag wil, kan het Museum Meermanno in Den Haag bezoeken.
|
|
|
|
|
Beweeg de cursor over de afbeelding voor uitleg over de
volgende elementen:
Kopiist Afschrift Legger Inkt Boeken Lade
|
|
|
|