literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Nederland was eind zeventiende, begin achttiende eeuw de ‘boekzaal’ van Europa. Geen land in Europa drukte zo veel boeken voor andere landen als de Republiek. Dat kwam omdat men er toleranter was dan elders en er ook ‘gevaarlijke’ boeken en tijdschriften konden worden uitgegeven. Daardoor werd de Republiek de grootste Europese leverancier van een nieuw genre: geleerdentijdschriften.

De Boekzaal van Europe (1692-1702)
1692: de Boekzaal van Europe was het eerste wetenschapstijdschrift in de Nederlandse taal. Nu konden ook niet-academici kennis nemen van de nieuwste wetenschappelijke ontdekkingen.

De eerste Frans- en Engelstalige geleerdentijdschriften verschenen in 1665. Ze bestonden uit boekbesprekingen: samenvattingen van wetenschappelijke boeken. Ze waren ‘gevaarlijk’, omdat ze voor het eerst in de Europese geschiedenis de nieuwste wetenschappelijke inzichten presenteerden aan een groter publiek. Recht op kennis was een van de uitgangspunten van de Verlichting, maar kennis was ook macht, volgens een bekend Hollands gezegde. Daarom was er ook tegenstand tegen deze tijdschriften, onder meer vanuit de kerk. Want de wetenschap en de Bijbel beten elkaar nogal eens. Bliksemflitsen, zo onthulden de tijdschriften, waren niet afkomstig van God, maar gewoon het gevolg van elektrische ontlading.

In het allereerste geleerdentijdschrift in het Nederlands, de Boekzaal van Europe, is goed te zien hoe dat nieuwe instrument van de boekbespreking werkte. Want in het openingsnummer van 1692 recenseerde de auteur van het tijdschrift, Pieter Rabus, uitgebreid een van de meest verlichte en spraakmakende boeken van zijn tijd, het in 1691 verschenen Betooverde Weereld van Balthazar Bekker. In dat boek werd de Bijbel zeer kritisch besproken en niet meer als een onaantastbaar, heilig boek beschouwd. Bovendien rekende Bekker – die zelf predikant was - af met bijgeloof en beweerde hij dat duivels niet bestonden. Rabus vond dat alles zó interessant voor de lezer dat hij het boek samenvatte in maar liefst 61 pagina’s. Daarna besprak hij ook nog eens de werken van drie tegenstanders van Bekker. Op die manier wist hij zeker dat veel mensen zich zouden gaan interesseren voor het onderwerp.

Maar er was ook luchtiger wetenschappelijke kost, zoals een stuk over mensen die onder water konden zwemmen, of het verhaal over ‘de Messeslokker van Halle’, waarin het wonderbaarlijke genezingsproces wordt beschreven van een Duitse jongen die een mes had ingeslikt. Pas na één jaar, dertig weken en drie dagen zweerde dat ergens aan de zijkant zijn lichaam uit. Wie geïnteresseerd was in geschiedenis kon iets lezen over de verovering van Mexico door de Spanjaarden of over het boek De historie der wijsgerige vrouwen.

Rabus besteedde ook aandacht aan literatuur. Daarmee was hij een van de eerste recensenten van Nederland. Terwijl hij de Gedichten (1697) van zijn goede vriend David van Hoogstraten de hemel in prees, deelde hij tegelijkertijd een sneer uit naar het Nederlandse lezerspubliek, dat volgens hem weinig van poëzie moest hebben:

U ziet hier een dichter, een rechtschapen dichter, die in het kielzog en in het voetspoor van Hooft, Vondel, en de IJstroom-dichter [Antonides van der Goes] de zangberg heeft leren beklimmen, die, door aloude Griekse en Romeinse lessen goed onderlegd, een hoop klimmers achter zich heeft gelaten, en, toen hij zag dat ze niet tot dichten maar slechts tot schreeuwen in staat waren, hen nooit meer de hand heeft willen reiken. Zó, als een zwaan die door de wolken breekt, vertoont hij zijn vaardigheid alleen voor kenners: want in deze dichthatende tijd zou het dwaas zijn, welverdiende lof van het gewone soort van lezers te verwachten.

Over de Mengelstoffen van velerley stichtelijke Gezangen van Carolus Tuinman was Rabus in 1699 veel minder te spreken: ‘Allemaal zijn ze geschreven met het oog op stichting, maar niet alle gedichten zijn even goed uitgewerkt naar de eisen van de dichtkunst.’

Rabus stierf in 1701. Zijn tijdschrift was zo onmisbaar geworden dat het nog een eeuw lang werd voortgezet onder andere namen, zoals Boekzaal der Geleerde Wereld en Stemmen voor Waarheid en Vrede.

Verder lezen
Het eerste geleerdentijdschrift in de Nederlandse taal, de Boekzaal, was bedoeld voor ‘platterts’, zij die alleen Nederlands spraken en lazen. Dit tijdschrift is te beschouwen als een achttiende-eeuwse voorloper van hedendaagse tijdschriften als Quest of Focus. .
Om op de hoogte te blijven van de wetenschappelijke ontwikkelingen correspondeerde Rabus met talloze geleerden in Europa. Ook schreef Rabus tien jaar lang de Boekzaal vol .