literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Bijna iedereen kent het verhaal van Robinson Crusoë, de jongeman die schipbreuk lijdt, op een onbewoond eiland terecht komt en zichzelf, wonder boven wonder, in leven weet te houden. Vandaag de dag wordt Robinson Crusoë alleen nog als kinderboek gelezen, net als Gulliver's Travels van Jonathan Swift. In de achttiende eeuw waren dit boeken voor volwassenen met een belangrijke boodschap: de wereld is maakbaar en verbeterbaar. In het denkbeeldige land Krinke Kesmes, dat Hendrik Smeeks beschreef, is alles beter dan in eigen land.

Krinke Kesmes, een vroeg imaginair reisverhaal
In 1708 verscheen een spannend reisverhaal over het denkbeeldige land Krinke Kesmes waarin niet meer wordt getwist over religie. Het was de eerste Europese roman waarin een jongen schipbreuk lijdt.

Imaginaire reisverhalen beschreven reizen naar landen, gebieden en volken die niet bestonden, behalve dan in het hoofd van de schrijver. Verlichte auteurs gebruikten het genre om te dromen over betere, rechtvaardiger samenlevingen. Een heel vroeg imaginair reisverhaal is Beschryvinge van het magtig Koningryk Krinke Kesmes (1708). Het werd geschreven door de Zwolse arts Hendrik Smeeks. Hij verzon het land Krinke Kesmes – grotendeels gevormd uit de letters van zijn eigen naam – waar veel meer vrijheid en gelijkheid heerst dan in het Nederland en Europa van de achttiende eeuw. Mannen en vrouwen hebben er bijvoorbeeld gelijke rechten en uit verschillende geloven heeft men één nieuwe, tolerante godsdienst gemaakt waar iedereen zich in kan vinden. In hemel en hel geloven de bewoners van Krinke Kesmes echt niet:

Godgeleerden vertellen wonderbaarlijke en angstwekkende verhalen over de Hel, terwijl zij, of wij, niet weten, wat, of waar de Hel is, of op welke manier de Godlozen daar zullen worden gestraft; […] Al net zo gaat het met de Hemel, waarover de godgeleerden onuitsprekelijke vreugden en volmaaktheden vertellen, terwijl ze, net als de gewone man, de reis ernaartoe proberen uit te stellen.

De maatschappelijke idealen die Smeeks beschreef waren in de achttiende eeuw ver te zoeken. Een samenleving zonder godsdiensttwisten bestond niet en ook gelijkheid tussen mannen en vrouwen was iets utopisch. Precies daarom schreef Smeeks zijn boek. Hij leverde op die manier kritiek op de eigen samenleving en liet tegelijkertijd alternatieven zien.

Bijzonder aan Krinke Kesmes is dat Smeeks een verhaal inlaste over een jongeman die schipbreuk lijdt en weet te overleven. Hij was de eerste auteur in Europa die zo’n verhaal schreef. Men noemt zo’n episode een robinsonade, naar de beroemde roman Robinson Crusoë van Daniel Defoe (die pas elf jaar na Krinke Kesmes verscheen). Robinsonades werden heel populair, juist omdat ze zo geschikt waren om te illustreren dat de wereld maakbaar was, verlicht uitgangspunt bij uitstek.

Achter elkaar verschenen De Hollandsche Robinson (1743), De Walchersche Robinson (1752) en De Haagsche Robinson (1758). In al deze romans belanden de hoofdpersonen onvrijwillig op verlaten eilanden en lieten de schrijvers zien dat niet de afkomst van een persoon belangrijk is, maar diens zelfvertrouwen en werklust. Alle Robinsons demonstreren waartoe een mens in staat is als hij in alle vrijheid de kans krijgt een eigen imperiumpje op te bouwen. En altijd overleeft de zwaar beproefde schipbreukeling dankzij optimisme, discipline en vertrouwen in God, terwijl het instituut kerk geheel en al overbodig blijkt.

Verder lezen
Nadat een Zuidlander nieuwsgierig naar een pluim op de hoed van de ‘Schryver’ (links) heeft gekeken, biedt deze hem de veer aan, ‘dog hy weigerde die aan te neemen’.
Tot ver in de negentiende eeuw inspireerde Robinson Crusoë Nederlandse auteurs, zoals de jeugdboekenschrijver P.J. Andriessen met zijn De Hollandsche Robinson Crusoë uit 1876. .