literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Weinig literaire vindingen hebben zoveel invloed uitgeoefend op het moderne proza als de tijdschriften die in de eerste helft van de achttiende eeuw verschenen. Deze zogenaamde satirische tijdschriften en spectators – in totaal honderden – beschreven het wereldnieuws. Net als de hedendaagse schrijvers van columns of blogs becommentarieerden de auteurs ervan het dagelijks leven in vlot geschreven proza. De grootste vernieuwers van deze moderne vorm van journalistiek waren Jacob Campo Weyerman en Justus van Effen, twee meesterstilisten.

Moderne columnisten: Weyerman en Van Effen
Nieuw in de achttiende eeuw: de beroepsjournalist. Hij experimenteerde met modern proza en gaf overal zijn mening over.

In een van deze nieuwe tijdschriften, Den Echo des Weerelds (1725-1727), van Jacob Campo Weyerman, staat een feuilleton over het droeve lot van een jong meisje. Dit zogenaamde ‘koffiehuisnichtje’ vertelt hoe zij, op zoek naar een beter leven, verhuist van het platteland naar Amsterdam, gaat werken in een van de nieuwe koffiehuizen in de stad en vervolgens eindigt in een bordeel. Weyerman was specialist op het gebied van dergelijke verhalen die uit het leven waren gegrepen. In sneltreinvaart berichtte hij over het wereldnieuws en over de dingen die hij hoorde op straat of in de kroeg. Soms stal hij uit buitenlandse tijdschriften of verzon hij gewoon wat:

Gisteren werd ik op straat gegroet en aangesproken door een Tiroler koopman in jeneverbessenolie, wiens voeten waren gekist in zulke zware ossenleren bergschoenen, dat hij altijd bereid was om er met één trap een driedeks grote mast mee in spaanders te laten vliegen. Die knaap […] vroeg mij of ik een manuscript wilde kopen, waarvan hij zei het te hebben ontdekt in de top van een kastanjeboom, in een eksternest, en dat, zo zwoer hij, zó vol aardigheden zat, wat hij had gehoord van iemand die het niet kon lezen of begrijpen, dat ik met de vertaling ervan de lezers van mijn wekelijkse tijdschrift op zijn minst tot ver in de helft van de volgende eeuw kon bezighouden.

Dit soort satirisch proza in tijdschriftvorm was nieuw. Het dreef de spot met de mensheid, was ironisch en het leek in niets op het veel bravere proza dat de lezer kende uit preken, de bijbel, fabels en andere vertellingen. Weyerman wist de lezers tien jaar lang te boeien met zijn satirisch talent. Maar rond 1730 lukte dat minder goed. Het ontstane gat in de markt werd opgevuld door Justus van Effen, eveneens een uitmuntend journalist, die tot 1731 alleen in het Frans had gepubliceerd. Hij probeerde het met een zogenaamde spectator. Dit tijdschrift, de Hollandsche Spectator (1731-1735), groeide uit tot het bekendste tijdschrift van de achttiende eeuw.

Spectators waren komen overwaaien uit Engeland. Ook dit type tijdschrift bestond uit een onderhoudende mengeling van verhalen, nieuws, meningen en kritiek, afkomstig van een heer Spectator (dit is letterlijk: toeschouwer). Deze spectator beschreef en bespotte de wereld om zich heen, maar meer dan de satiricus hield hij ervan om met zijn essays discussies uit te lokken over gevoelige, nationale zaken. Dat konden Franse asielzoekers zijn of Duitse gastarbeiders, de voortgang van de koophandel of de vraag wat nu echt Hollandse zeden waren. Daarom werkte de spectator – en dat was nieuw - met correspondenten en ingezonden brieven. Meestal werden die door hemzelf geschreven, maar toch ontstond iets wat tegenwoordig in de krant de opiniepagina heet: een doorgaand publiek debat, waarbij de lezer verschillende meningen over een onderwerp kreeg te horen en op die manier werd aangespoord om zélf na te denken over de zaak. Of, zoals Van Effen schreef, om ‘de waarheid door zijn eigen licht te ontdekken’.

Na Van Effen was de spectator niet meer weg te denken uit de Nederlandse cultuur. Tussen 1730 en 1800 verschenen er zeventig oorspronkelijk Nederlandstalige spectators in de Republiek. In de Zuidelijke Nederlanden waren dat er zeven. Tezamen met een kleine dertig vertaalde spectators uit het Engels, Duits, Frans en Deens en tientallen satirische weekbladen zijn deze literaire tijdschriften heel belangrijk geweest voor het ontstaan van een publieke opinie in de achttiende eeuw.

Verder lezen
Jacob Campo Weyerman, berucht om zijn roddels en scherpe meningen .
Jurist, vertaler en opiniemaker Justus van Effen, de bekendste heer spectator van Nederland .