literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Achttiende-eeuwers hadden iets met helden, want van helden kon je leren. Ze waren per definitie ‘verlicht’, want dapper, deugdzaam en standvastig en ze gaven het goede voorbeeld. Heldendichten - uitgebreide dichtstukken over leven en daden van bekende helden uit de bijbel of uit de Europese geschiedenis – waren daarom heel populair in de achttiende eeuw.

Bloei en ondergang van een klassiek genre: het epos
Heldendichten – epen – stonden bekend als het moeilijkste genre waar een dichter zich aan kon wagen. In de achttiende eeuw werden er meer geschreven dan ooit.

Alle handboeken over de kunst van de poëzie bevestigden het: niets was moeilijker dan het schrijven van een epos of heldendicht. Een dichter die zich daaraan waagde, moest wel heel erg getraind zijn in de dichtkunst en veel taalkundige en literaire kennis hebben. Want een heldendicht moest volgens de regels van de kunst worden geschreven. De taal moest verheven zijn, passend bij de bijzondere status van de held. Het werk moest rijmen en met een voorgeschreven metrum worden geschreven en ook de structuur van het gedicht moest overzichtelijk en logisch zijn. Verder moest de auteur veel kennis hebben over het leven van de held die hij of zij wilde beschrijven.

Ondanks deze zware eisen kwam het epos in de achttiende eeuw tot grotere bloei dan in de eeuw ervoor. Want heldenlevens bleken perfect geschikt om er de eigen idealen op te projecteren en de lezers smulden van al die heldendaden. Arnold Hoogvliet bijvoorbeeld, de bekendste heldendichtschrijver van de achttiende eeuw, schreef in 1728 een meeslepend epos over een Bijbelse held: Abraham, de aartsvader. Volgens hem was Abraham ‘het beste voorbeeld van deugd en godsvrucht, dat in goddelijke of menselijke schriften gevonden wordt.’

Ja 't bevalt me om Abram op de tocht naar Kanaän
En naar Egypte, en waar die goddelijke man
Heen zwerft, op 't hoog bevel, te volgen op mijn snaren;
Zijn wonderbaarlijke omgang met de godheid t'openbaren;
En, in bespiegeling van zijn geloof, hoop
En zuivere godsvrucht, door zijn gehele levensloop
Te zweven; tot hij, door Gods eeuwige genade,
De grote vredevorst beschouwende in zijn' zade,
Het duister graf indaalt, in hoge ouderdom.

Ook de beroemdste dichteres van het land, Lucretia Wilhelmina van Merken, gebruikte het heldendicht om te laten zien hoe belangrijk het geloof was in het dagelijkse leven. Zij nam als voorbeeld de Bijbelse persoon David. Die wist het van herdersjongen tot koning van Israël te schoppen, dankzij een onbegrensd vertrouwen in God. Al na een half jaar was David uitverkocht. In 1768 verscheen een tweede druk.

Zowel Hoogvliet als Van Merken trokken zich niets aan van eventuele kritiek van de kerk, overtuigd als ze waren dat juist poëzie een van de beste middelen was om religieus gevoel op te wekken. Zonder schroom gebruikten ze hun fantasie en breidden ze de Bijbelverhalen enorm uit. Van Merkens David (1767) bestond uit twaalf hoofdstukken en Abraham, de aartsvader telde maar liefst 288 pagina's. Volgens Hoogvliet kon niemand daar kritiek op hebben, ook de kerk niet (die liever niet wilde dat dichters of andere niet-geestelijke personen eigenhandig het woord van God uitbreidden), want God zelf had de mens voorzien van een scheppend en beeldend vermogen.

Na 1780 verdween het epos onverwacht snel uit de Nederlandse literatuur. Dat kwam omdat proza inmiddels veel belangrijker was geworden om lessen en meningen over te brengen dan poëzie. Moderne genres, zoals tijdschriften, briefromans en prozatoneel, gaven schrijvers veel meer vrijheid. Ze waren aan geen enkele regel gebonden. Bovendien was de literatuur vanaf 1780 in de ban van de revolutie en had men ‘snelle’ genres nodig – pamfletten, tijdschriften - om de publieke opinie te bestoken. Voordat men een epos van honderden bladzijden af had, kon de revolutie al voorbij zijn.

Verder lezen
Abraham, de oudste van alle aartsvaders - De engelen verschijnen aan Abraham (fresco, 1726 - 1729, Palazzo Patriarcale, Udine) door Giovan Battista Tiepolo (1696 – 1770) .
Een achttiende-eeuws cultboek: Abraham, de aartsvader .