literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

In ‘populair proza’, verzamelnaam voor veel gelezen genres als avonturenromans, schelmenromans, erotische romans, criminele biografieën en travestieromans, wordt iets zichtbaar van de achttiende-eeuwse ‘struggle for life’. Daarom zijn deze romans realistischer dan ze op het eerste gezicht lijken. Vrouwen die als man verkleed de wereld in trokken, mannen die zich al gokkend en kaartspelend door het leven sloegen, misdadigers die roofden en moordden, ze kwamen daadwerkelijk voor en hun levens werden met veel leedvermaak en fantasie beschreven.

Pulp fiction: het succes van populair proza
Avonturenromans hingen van onwaarschijnlijke avonturen aan elkaar. Toch waren ze realistischer dan menig ander genre. Misschien waren ze daarom zo populair.

De eerste Nederlandse avonturenromans verschenen rond 1680 en in de eeuw die volgde, werden er duizenden geschreven en vertaald. De achttiende-eeuwer kreeg maar niet genoeg van dit soort reality soap. Eindelijk verhalen over herkenbare, hoewel marginale, personen in plaats van over ridders, koningen, Bijbelse personages of fabeldieren!

De hoofdpersonen van deze romans - studenten, werklozen, avontuurlijke vrouwen, hoeren, oplichters - kwam je dagelijks tegen, vooral in de grote steden. Ze probeerden allemaal te overleven in een harde wereld, waarin geluk was weggelegd voor een handjevol personen, en waarin geweld, teleurstelling en lichamelijk lijden aan de orde van de dag waren. De hoofdpersoon uit De Amsterdamse Lichtmis (1731) houdt zich in leven door kaart te spelen, waarbij hij gewetenloos liegt en bedriegt. Terwijl hij van stad naar stad reist, leidt hij een leven als ‘lichtmis’: iemand zonder moraal die de ene vrouw na de andere versiert. In De ongelukkige levensbeschryving van een Amsterdammer (1775) werkt de hoofdpersoon vanaf zijn tiende bij een boekverkoper. Die laat hem kranten bezorgen in de stad. Maar de jongen is meer geïnteresseerd in snoep en kattenkwaad dan in iets anders:

’s Ochtends om elf uur werd de beurs geopend. Dan kwamen daar de joodse handelaren met hun taartjes en andere lekkernijen. Ik kreeg veel fooi, dus kon ik veel snoepen. Soms kwam het voor dat ik op een middag een kwartje aan taartjes kon verteren, zodat, als we om twee uur gingen eten, ik geen honger meer had. Mijn meester vroeg wel of ik ziek was, maar de meid, die me vaak van de beurs had afgehaald, die zei dan soms: “Hij zal zijn lijf weer vol taartjes gegeten hebben.” Het was daar de hele beurstijd druk met kantoor-, winkeliers-, en andere jongens. Daar liepen dan ook Joden, die ook alles kochten van de jongens, zodat sommigen daar veel geld wonnen en de jongens op die manier tot dieven maakten; ook leenden zij je wel geld als je bij hen bekend was. Ik werd op het laatst een meester in spelen en kwaad doen.

De meeste avonturenromans worden verteld in de ik-vorm. Daardoor lijkt het alsof het verhaal een autobiografie is, een waar gebeurd levensverhaal. Kenmerkend voor avonturenromans is ook dat voortdurend de spot wordt gedreven met het onrecht en de hypocrisie in de wereld. Heel veel personen blijken er een dubbele moraal op na te houden. Zo gaat de eerder genoemde Amsterdamse lichtmis op stap met een monnik die helemaal niet zo vroom blijkt te zijn: deze monnik doet zich voor als baron, gaat mee naar de hoeren en loopt evenals de lichtmis een geslachtsziekte op. Bovendien is hij meer geïnteresseerd in geld dan in godsdienst.

Soms speelden werkelijk bestaande personen de hoofdrol in avonturenromans, zoals in de populaire biografieën van bekende criminelen. De bestsellers van de eeuw waren enkele romans over het leven van de sluwe, joodse financier Aaron Abrahams, die in 1737 tot veertig jaar rasphuis (gevangenis voor mannen) werd veroordeeld. Van Den Bedrieger Bedroogen of den Gevangen Smous (1737) en Den gestraften Bedrieger, of den Smous in het Rasphuis (1737) werden meer dan tienduizend exemplaren verkocht.

Ook travestieromans – romans over vrouwen die als man verkleed door het leven gingen – waren realistischer dan men zou vermoeden. Om meer bewegingsvrijheid te krijgen kozen sommige vrouwen voor een mannenbestaan, iets dat in de achttiende eeuw verboden was, maar toch regelmatig voorkwam. In De Kloekmoedige land- en zeeheldin (1706) gaat de vrouwelijke hoofdpersoon als Hendrik van den Berg door het leven. Ze dient in het leger en in de vloot en wordt pas ontmaskerd als ze bij een zeeslag ernstig gewond raakt aan een bil en bij de dokter dus met de billen bloot moet. Het bekende zeemanslied ‘Daar was laatst een meisje loos’, dat vermoedelijk uit de achttiende eeuw dateert, gaat over deze vrouwen die als matroos gingen varen.

Verder lezen
Dronkemanstafereel bij Cornelis Troost, ca. 1740. Fragment van de pasteltekening Rumor erat in casa (Er werd geschreeuwd in huis).
Titelgravure bij Dappere oorlogs-daaden van de Kloekmoedige land en zee heldin, Warachtige Geschiedenis.