literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Het dodengesprek was een oud genre, maar in de achttiende eeuw werd het opnieuw tot leven gewekt. Door bekende, dode personen uit de (literatuur)geschiedenis verzonnen gesprekken met elkaar te laten voeren, kon de schrijver gevoelige onderwerpen aansnijden. Het genre was ook perfect geschikt om eens lekker kritisch allerlei maatschappelijke verschijnselen te belichten.

Dodengesprekken
Doden: daar waren ze dol op in de literatuur van de Verlichting. Men liet ze voortdurend met elkaar praten.

De dichter en filosoof Johannes Kinker liet in 1788 in zijn literaire tijdschrift Post van den Helicon (1788) twee beroemde, dode schrijvers met elkaar bekvechten: Boileau en Van Swaanenburg. Dat was een combinatie die in het echt onmogelijk was geweest, want Boileau was een autoriteit en beroemd in heel Europa, terwijl Van Swaanenburg een slechte reputatie had en bekend stond als de grootste gek uit de Nederlandse literatuur. Waarom liet Kinker de twee dan toch een gesprek met elkaar voeren? Omdat hij aan de hand daarvan de verschillen tussen twee literaire opvattingen kon demonstreren. De zeventiende-eeuwse dichter Boileau stond voor het aan allerlei regels gebonden Frans-classicisme, dat anno 1788 in sommige kringen nog populair was. Van Swaanenburg stond voor een moderner, losser, individueler soort poëzie, dat zich van geen enkele regel iets aantrok.

Het grappige is dat Kinker in zijn dialoog de verhoudingen omdraaide. Niet de grote Boileau leest Van Swaanenburg de les, wat in het echt vermoedelijk zou zijn gebeurd, maar Van Swaanenburg legt Boileau eens haarfijn uit hoe je echt goede poëzie schrijft. De discussie vindt plaats op het Swanenburger Eiland, een plek die Kinker op een literaire fantasielandkaart heeft gereserveerd voor de individuele poëzie van Van Swaanenburg. Boileau vraagt zich af wat hij daar eigenlijk doet:

Boileau.
Ik zie al waar ik ben, al had ik het aan uw taalgebruik niet gemerkt. Ongetwijfeld heersen de Hollandse muzen over dit gebied. Wildheid en verwarring strijden om de beurt om de zetel van de goede smaak te bederven. Tonen die zo laag zijn dat ze het gehoor ondermijnen en die niet meer geschikt zijn om verschillende gewaarwordingen over te brengen, gaan hier door voor de welluidendste. Wat zou er van mij zijn geworden als ik de pech had gehad om hier geboren te worden? Wat zou ik ooit zijn geweest?
Swaanenburg.
U had de proeven van mijn Parnas kunnen corrigeren en dan had u een middelmatig dichter kunnen worden. Ik had dan gezien waar bij u de schoen wringt; u had mij twee jaar onder de plak kunnen houden, u met mijn ruwheid kunnen vermaken en met uw bon sens mijn non sens aan de dag kunnen brengen.

De twee ruziën nog een hele tijd zo door, waarbij Boileau Van Swaanenburg uitmaakt voor ‘een aap zonder penseel’ en Van Swaanenburg de Fransman bijna de hersens inslaat met de contrabas die hij bij zich heeft. De achttiende-eeuwse lezer zal zich ongetwijfeld hebben afgevraagd aan welke poëzie hij zelf de voorkeur gaf. En Kinker had laten zien dat er in de literaire wereld altijd wel ergens over wordt geruzied.

Het dodengesprek, al in de tweede eeuw na Christus met verve beoefend werd door de Griekse satiricus Lucianus, werd in de achttiende eeuw opnieuw populair omdat het heel geschikt was om verschillende meningen over een onderwerp weer te geven. Het genre was een prachtig wapen om iets te kunnen zeggen over de eigen actualiteit, de literatuur of over gevoelige politieke of godsdienstige zaken zonder daarbij het risico te lopen vervolgd te worden. Want de woorden werden immers uitgesproken door doden!

Behalve dat het genre heel vermakelijk was, gaf het de achttiende-eeuwse schrijver ook veel vrijheid, omdat hij niet gebonden was aan regels. Men kon het kort of lang houden en schrijven in de spreektaal. Dodengesprekken verschenen als pamflet, als toneelstuk en in tijdschriften. Soms werden hele tijdschriften gevuld met louter dialogen tussen doden zoals Jacob Campo Weyermans Maandelyksche ’T Zamenspraaken (1726) en Willem van Swaanenburgs De herboore oudheit, of Europa in ’t nieuw (1724-25), waarin men dialogen vindt tussen Socrates en Apollo, Don Quichot en Sancho Panza, Epicurus en Pythagoras, en Rabelais en Agrippa.

Verder lezen
Johannes Kinker tekende een literaire fantasielandkaart waarop alle genres van zijn tijd terug te vinden zijn. (uit: de Post van den Helicon) .
Het tijdschrift De herboore oudheit, of Europa in ’t nieuw van Willem van Swaanenburg bestaat helemaal uit gesprekken tussen doden .
De ‘paus’ van het Frans-classicisme, Nicolas Boileau .