literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Verschillende dichters uit de achttiende/negentiende eeuw - Willem Bilderdijk, Rhijnvis Feith, Jacobus Bellamy, Anthony Staring - begonnen hun carrière in een dichtgenootschap. Deze gezelschappen, opgericht door liefhebbers van poëzie, waren enorm populair. Ze waren handig om te netwerken en om als dichter bekend te worden. En burgers konden er hun mening kwijt over belangrijke maatschappelijke onderwerpen als godsdienst, vaderland en moraal.

Dichten en wedijveren in teamverband
Het dichtgenootschap blijkt een gouden greep. Een probaat middel voor honderden burgers om hun stem te laten horen en een gokje te wagen op eeuwige roem.

Veel poëzie uit de tweede helft van de achttiende eeuw kwam voort uit dichtgenootschappen. Er waren vier grote landelijke verenigingen en tientallen kleinere gezelschappen. Ze publiceerden dichtbundels en schreven prijsvragen uit om nieuw dichterlijk talent op te sporen, . Daarbij werd een onderwerp opgegeven waarop een dichter een antwoord moest formuleren dat niet langer mocht zijn dan driehonderd regels. Iedereen kon op zo’n prijsvraag reageren, als het maar anoniem was, zodat de bestuursleden van een genootschap onpartijdig een winnaar konden aanwijzen.

Won je zo’n prijsvraag, dan was je in één klap beroemd. Je naam verscheen in de kranten en het dichtstuk werd naderhand gepubliceerd in de bundels van het genootschap. Willem Bilderdijk was achttien jaar oud toen hij in het grootste geheim, zelfs zijn vader wist het niet, begon aan een antwoord op een prijsvraag die was uitgeschreven door het Leidse dichtgenootschap ‘Kunst wordt door arbeid verkreegen’. Op de vraag of poëzie de regering van een land kon beïnvloeden, antwoordde Bilderdijk ‘ja’. Als men tenminste geen ‘ziel van slechte klei’ had, anders gezegd: als mensen een beetje gevoelig waren voor poëzie.

Geheel volgens de wetten van de klassieke retorica geloofden veel genootschapsdichters, net als Bilderdijk, dat poëzie heel goed in staat was mensen te beïnvloeden. Rijm, maat en beeldspraak, dat alles maakte de boodschap licht verteerbaar en zorgde ervoor dat mensen geëmotioneerd raakten. En door die emoties – over bijvoorbeeld het vaderland – raakte men vanzelf betrokken bij de toekomst van datzelfde vaderland. Op die manier kon de samenleving alleen maar beter worden. Om dezelfde reden was ook godsdienst een populair onderwerp, want het geloof werd gezien als een van de belangrijkste beschavende factoren.

Genootschapsbundels waren vanwege hun maatschappelijke betrokkenheid dus veel meer dan dichterlijke bloemlezingen van eigentijds talent. Ze voedden voortdurend de publieke opinie door jaar in jaar uit te publiceren over deugden als godsvrucht en vaderlandsliefde. Maar niet alles was ernst. Er werd ook geëxperimenteerd met rijm, metrum en typografie, zoals Le Francq van Berkey deed in een veertig bladzijden tellend gedicht:

   Bij de Blik- en Koperslager
Wordt veelligt de kunst wel graager,
Om daar 't oor eens net te raên,
Hoe zijn tikketoonen slaan.
      Als hij zegt:
      Echt,
      Recht,
      Glad,
      Tik,
      Ik
      Dik
      Blik
      Plat.

Ook vrouwen konden lid worden van bepaalde dichtgenootschappen. Vooral vanaf 1780, toen een revolutionaire periode begon en de meeste genootschappen in het geheim de kant van de patriotten kozen, waren ze welkom. Elke stem en elk gedicht telde. Talentvolle dichteressen als Petronella Moens en Adriana van Overstraten werden in die jaren lid van wel acht patriottische dichtgenootschappen.

Vooral de vier grote dichtgenootschappen in Den Haag, Leiden, Amsterdam en Rotterdam, die het meeste prestige hadden, elk jaar prijsvragen uitschreven en landelijk leden wierven, groeiden in de loop van enkele decennia uit tot belangrijke, nieuwe communicatiemedia. Ze bevorderden niet alleen het maatschappelijk debat, maar ook het contact tussen dichters onderling, hoewel er af en toe iets mis liep. De jonge dichter Staring uit Harderwijk bezocht in 1785 de jaarlijkse vergadering van het Haagse ‘Kunstliefde’ in de hoop er Rhijnvis Feith uit Zwolle te spreken: ‘dit was een van de voornaamste redenen van mijn overkomst in Holland! - helaas, mijnheer, u was er niet!’ Gelukkig kwam er een herhaling. Ook Feith wilde Staring ontmoeten want: 'In één avond kan men meer zeggen dan in vijftig brieven schrijven’.

Verder lezen
Het Leidse ‘Kunst wordt door arbeid verkreegen’ vergaderde in een prachtige zaal .
Disputerende leden van het Amsterdams genootschap Felix meritis in 1792.