literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

In verlichte literatuur krijgt de jonge, meestal ongetrouwde, vrouw veel meer aandacht dan voorheen. Vooral het nieuwe genre briefroman bleek heel geschikt om iets te laten zien van de problemen waar moderne vrouwen in de achttiende eeuw mee te maken kregen. De uitvinder van de briefroman was de Engelsman Samuel Richardson, die met Pamela, or Virtue Rewarded (1740-1741) en Clarissa, or the history of a young lady (1747-1748) heel Europa wist te inspireren. In Nederland brachten Wolff en Deken de briefroman tot grote bloei.

Sara Burgerhart: roman in brieven
De eerste Nederlandse briefroman, Sara Burgerhart, ging over een jonge, moderne Amsterdamse vrouw en werd geschreven door het bekendste schrijversduo uit de achttiende eeuw: Betje Wolff en Aagje Deken.

De briefroman, waarin het verhaal wordt verteld door middel van brieven die verschillende personages aan elkaar schrijven, betekende een kleine revolutie voor het genre roman. In avonturenromans draaide alles om avonturen en anekdotes, in de briefroman om gedachten, gevoelens en de psychologie van de personages. Meestal waren dat ‘normale’ burgers, jonge mensen die op het punt stonden de volwassen wereld te betreden en die worstelden met de verantwoordelijkheden die daar bij hoorden.

De Engelse briefromans van Richardson werden al snel in het Nederlands vertaald. Toch duurde het tot 1782 voordat Sara Burgerhart, geschreven door Betje Wolff en Aagje Deken, verscheen. In deze roman onderzoekt de jonge, opstandige Sara de grenzen van haar vrijheid. Ze is door en door Nederlands en gewend haar eigen gang te gaan. Daarom verlaat ze haar vrome tante, bij wie ze na de dood van haar ouders terecht is gekomen, gaat wonen in een tehuis voor jonge dames en neemt zich voor flink van het leven te genieten. Daar hoort ook de liefde bij. Sara valt als een blok voor rasversierder R. die slechts uit is op seks. Ze begint pas na te denken als ze bijna door R. wordt verkracht.

Dit gegeven werd door Wolff en Deken uitgewerkt in een complexe roman, waarin vierentwintig personen aan het woord zijn in honderdvijfenzeventig brieven. Elke persoon kreeg zijn eigen karakter en taalgebruik. De dames schreven in realistisch, zeer leesbaar Nederlands. Zoals in het volgende fragment, waarin duidelijk wordt dat Sara stiekem het toetje (de flensjes) heeft opgegeten, in opstand komt tegen haar vrome tante en woest van tafel opstaat:

Ik krijg nooit wijn. Tante zegt dat het niet goed is voor me en dat is goed mogelijk; want ik ben jong en gezond. “Kom Saartje, ruim de tafel maar af; Brechtje is wat vermoeid; de sloof wordt oud.” Ik deed dat; zette het dessert neer. “Waar benne de flensjes, Saartje?” “Die benne in mijn maag, tante.” Hup mijn servet neergegooid (per ongeluk tegen broeders palmhouten pruik) en het onweer op mijn kamer ontvlucht. U weet, ik ben tamelijk snel, wat mij toen goed van pas kwam. Hup de deur op slot. ’s Avonds kwam de Hottentot [= Brechtje] met een stuk brood en een glas zuur bier, ze zei erbij, “dat ik het nooit kon verantwoorden, de manier waarop ik een vroom mens plaagde.” “Scheer je van mijn kamer,” zei ik, en duwde haar de deur uit. Het brood (dat goed viel op de flensjes) at ik op. Het bier gooide ik weg, en dronk wat water uit mijn karaf: ik ging vroeg naar bed en sliep als een roos.

De roman werd een enorm succes en inspireerde auteurs als Belle van Zuylen, Rhijnvis Feith en Elisabeth Maria Post tot romans waarin vrouwen eveneens de hoofdrol speelden. Wolff en Deken hadden aangetoond dat de roman een perfect middel kon zijn om verlichte ideeën, over in dit geval de liefde, opvoeding en verantwoordelijkheid, uit te werken. Het gevolg daarvan was dat de roman voor het eerst in de geschiedenis door de literaire kritiek als een belangrijk en serieus genre werd beschouwd.

Verder lezen
Illustratie uit Sara Burgerhart:
Snap mijn servet neêr gegooit, (bij ongeluk tegen Broeders palmhoute pruik,) en het onweer op mijne kamer ontweeken.
bladz. 36. .
Titelpagina van de Franse vertaling van Sara Burgerhart, die in 1787 in Lausanne verscheen.