literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Er zijn weinig Nederlanders die de versregel ‘Jantje zag eens pruimen hangen’ niet kennen. Minder bekend is dat dit de eerste regel is van een achttiende-eeuws kindergedichtje. ‘De Pruimeboom’ is te vinden in het eerste, moderne, oorspronkelijk Nederlandse kinderboek, Proeve van kleine Gedigten voor Kinderen (1778). Dit bundeltje was zó succesvol, dat de auteur ervan, de advocaat Hiëronymus van Alphen, nog twee vervolgdeeltjes schreef.

Kinderliteratuur
Alweer een nieuw genre: kinderliteratuur. Bedoeld voor ouders en kind. Hoe maak je van kleine bengeltjes verlichte burgers?

Van Alphen was de eerste schrijver die er in 1778 in slaagde een echt Nederlands kinderboek te schrijven. Voor die tijd bestonden er wel kinderboeken, maar alleen in vertaling. De sprookjes van Moeder de Gans, met beroemde sprookjes als Doornroosje, Roodkapje, Assepoester, De gelaarsde kat en Klein Duimpje, waren al in 1754 te krijgen. Uit het Frans vertaald. Rond die tijd werden in Nederland ook discussies gevoerd over de vraag hoe kinderen het best konden worden aangesproken en onderwezen. Toch duurde het tot 1778 voordat Van Alphens kindergedichtjes verschenen.

Daarin worden voor het eerst in eenvoudige kindertaal Nederlandse kinderen met Nederlandse problemen beschreven. Elk gedichtje gaat over herkenbare situaties in en om het huis en leert hoe kinderen zich idealiter zouden moeten gedragen, zodat ze beschaafde, tolerante burgers worden. Elk gedichtje eindigt daarom met een wijze les. In ‘De verkeerde Vrees’ leren achttiende-eeuwse kinderen op een speelse manier om te gaan met een multiculturele samenleving en respect te hebben voor immigranten. Ze hoeven bijvoorbeeld niet bang te zijn voor joodse marskramers die op zoek zijn naar oude en gebruikte spullen:

Keesje zag eens joden lopen,
Om wat ouds! wat ouds! te kopen;
   Hij werd bang, ja bleek van schrik;
Hij kroop weg en begon te huilen.
Pietje spotte met dat schuilen;
   En zei lachend: doe als ik!

Kees zei: zou jij niet ontstellen,
Als je hen eens aan zag bellen?
   Nee ik niet, zei Pietje toen:
Waarom zou ik altijd vrezen?
Je hoeft slechts bang te wezen,
   Als je zélf van plan bent kwaad te doen.

Na Van Alphens bundel werd kinderliteratuur ontdekt als interessant commercieel genre en gingen uitgevers, pedagogen en broodschrijvers er mee aan de haal. Typisch achttiende-eeuwse genres als het tijdschrift en de briefroman verschenen al snel in varianten voor kinderen. De beroemdste kinderboekenschrijfster van het land, Margaretha de Cambon-van der Werken, scoorde een internationale bestseller met de vertaling van De kleine Grandisson, of de gehoorzaame zoon (1782). In dit boek konden kinderen lezen over de lotgevallen van de zeer goed opgevoede, dertienjarige Karel Grandisson en zijn ondeugende broer Eduard. Tientallen jaren lang was Kareltje Grandisson een groot voorbeeld voor Europese kindertjes.

Soms lijken schoolboekjes en kinderliteratuur meer voor ouders dan voor kinderen te zijn geschreven. Sommige schrijvers maakten namelijk van de gelegenheid gebruik om politieke standpunten in hun teksten te verstoppen. Zoals Johan Hendrik Swildens, die als patriot voorstander was van burgerbewapening om in geval van nood te kunnen vechten tegen de stadhouder. In zijn Vaderlandsch A-B Boek voor de Nederlandsche Jeugd (1781), een plaatjesboek waarmee kinderen leerden spellen en lezen, legt hij dat uit bij de letter B. Daar koos hij niet voor ‘boer’ of ‘boter’, maar voor ‘Burger’. Op het plaatje bij de tekst ziet men een groepje gewapende burgers over de Dam in Amsterdam marcheren. De begeleidende tekst luidt:

Burger, u beschermt de stad. Stel hierin uw eer.
Dit moet ieder
burger doen, ook de grootste heer.
Illustratie uit Proeve van kleine Gedigten bij ‘De verkeerde vrees’.
Lerende kinderen. Tekening van Jacob de Vos uit 1803.
Willem de Vos leert schrijven. Tekening van zijn vader Jacob de Vos uit 1804.