literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Multiculti: literatuur in de koloniën
Nergens was het leven zo multicultureel als in de Nederlandse koloniën. Dichters en schrijvers berichtten met verbazing en soms met verontwaardiging over het verre oosten en westen.

Het leven in Suriname was zo zwaar dat zelfs dichtliefhebbers niet aan dichten toekwamen, aldus Jan Jacob Mauricius, die van 1742 tot 1751 gouverneur van Suriname was. Zijn drie delen Dichtlievende uitspanningen (1753-1762) publiceerde hij pas na terugkomst in Nederland. Al tijdens de terugreis schreef hij Gezang op zee (1752), een gedicht waarin hij trots meldt wat Suriname allemaal aan hem te danken had:

In negen jaren van mijn zure landvoogdij,
Is het land een vierde en meer verbeterd in waardij,
Heel Kommewijne met een dubbele boog van huizen,
Plantages, lijn aan lijn, met schuren, loodsen, sluizen,
Vier mijl op, nieuw bezoomd, met slaven zonder tal,
Waarvan men pas na mijn tijd de vrucht trekken zal.

Ondanks de geringe culturele belangstelling van de kolonisten, had Paramaribo in het laatste kwart van de achttiende eeuw toch een paar toneelverenigingen, vrijmetselaarsloges, literaire genootschappen, schouwburgen en een krant.

Ook aan de andere kant van de wereld, in Indonesië, werd iets gedaan aan Nederlandse cultuur. In Batavia, het huidige Jakarta, richtte men zelfs in 1778 het allereerste Europese, overzeese geleerdengenootschap op: het ‘Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen’. Maar uit het oosten kwam ook de felste kritiek op het koloniale systeem. Auteurs als Dirk van Hogendorp en Jacob Haafner waren allesbehalve positief over het gedrag van de Hollanders in de koloniën. Zij zagen vooral het leed dat slaven werd aangedaan.

Dirk van Hogendorp, die zestien jaar in Indonesië leefde, wilde de slavenhandel en slavernij afschaffen. ‘Een van de opmerkelijkste zaken die mijn geest, bij mijn terugkomst in mijn vaderland getroffen heeft, is de algemene onkunde en onwetendheid over de toestand van onze bezittingen in Oost-Indië’, schrijft Van Hogendorp. Niemand in Nederland bleek op de hoogte van de onmenselijke behandeling van slaven. Volgens Van Hogendorp waren vooral vrouwen erg wreed.

In zijn toneelstuk Kraspoekol, of de slavernij (1800) is Kraspoekol een van die vrouwen die slaven gruwelijk behandelt. Zo heeft ze de slavin Philida als een hond aan de ketting gelegd, omdat ze een slok water had gedronken zonder daarvoor toestemming te vragen. Ook verbiedt Kraspoekol Philida en haar man Ali, die al drie jaar met elkaar zijn getrouwd, 's nachts bij elkaar te slapen. Ali beklaagt zich in een monoloog: ‘wrede Hollanders! zijn wij niet uw natuurgenoten? uw medemensen? Neen, wij zijn uw honden! ----- er is geen recht voor ons, behalve het recht dat wij ons zelf bezorgen.’ Ali zal Kraspoekol uiteindelijk neersteken.

Nog radicaler dan Van Hogendorp was Jacob Haafner, die dertien jaar in India en Sri Lanka woonde. De avonturen die hij daar meemaakte, beschreef hij prachtig in reisverhalen als Lotgevallen op eene reize van Madras over Tranquebaar naar het eiland Ceilon (1806) en Reize in eenen Palanquin (1808). Als een van de weinige Europeanen beschouwde Haafner zijn eigen cultuur niet als superieur aan de oosterse. Sterker nog: hij was woest op het arrogante Europa. In zijn Verhandeling over het Nut van Zendelingen en Zendelings-Genootschappen (1807) pleitte hij voor afschaffing van zending, missie en elke vorm van Europese culturele dominantie. Niet de oorspronkelijke bewoners van de koloniën zouden volgens hem bekeerd moeten worden, maar de Europeanen zelf, die zich verre van christelijk gedroegen.

Meer hierover
Slavin die wordt gestraft, omdat ze niet wilde toegeven aan toenaderingspogingen van haar opzichter (einde 18de eeuw).
Een van de bekendste achttiende-eeuwse gouverneurs van Suriname, Jan Jacob Mauricius .
Het eiland Onrust bij Batavia .