literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Hendrik Tollens
Rotterdam 1780 - Rijswijk 1856

Hendrik Tollens was de eerste echte dichter des vaderlands. Hij was er bij toen het moderne Nederland ontstond en hij dichtte erover. Tollens kreeg dan ook een standbeeld, twee zelfs: één in Rotterdam, waar hij in 1780 werd geboren, en één in Rijswijk, waar hij stierf in 1856. Toen hij jong was, maakte hij vertalingen en schreef hij herderszangen met overdadige sentimenten en een erotisch tintje, en ook strijdliederen voor opstandelingen. Wat maakte Tollens uiteindelijk dan de in steen vereeuwigde dichter des vaderlands?

Tollens’ opvoeding had hem niet echt geholpen om later een groot dichter te worden. Zijn vader was van Belgische afkomst en zat in de verfhandel. Hendrik volgde daarom ook een handelsopleiding op een rooms-katholieke kostschool in Elten, waarna hij makkelijk het verfbedrijf van zijn vader overnam. Maar dat deed hij met tegenzin. Hij leerde op zijn eentje de regels van de taal en van de dichtkunst. En langzamerhand zocht Tollens ook vrienden buiten de verf. Hij koos voor de toneelwereld en trouwde met een toneelactrice, Gerbranda Catharina Rivier, dochter van toneelschrijver Simon Rivier.

Intussen had Tollens zijn pen al geoefend met die strijdliederen en die sentimentele en erotische herderszangen. Maar daar oogstte hij zijn grote roem niet mee. Wel met zijn eenvoudige toegankelijke poëzie over huiselijke onderwerpen en met romances als Jan van Schaffelaar en Willem de Eerste. Daarin bezong hij helden uit het verleden. Dat verleden kon immers richting geven aan de woelige tijden rond 1800, waarin Nederland een burgeroorlog en een Franse overheersing kende. Een gemeenschappelijke geschiedenis zou kunnen bijdragen aan de verzoening tussen de verschillende partijen, die hij nodig vond. En de herinnering aan oude helden kon de natie opnieuw zelfvertrouwen geven. Tollens wilde de Nederlandse natie een luisterrijke geschiedenis in dichtvorm geven.

Tollens’ nationaal gevoel bereikte in 1817 een hoogtepunt, toen hij het Volkslied schreef. Dat begon:

Wien Neerlandsch bloed in de aders vloeit,
Van vreemde smetten vrij,
Wiens hart voor land en koning gloeit,
Verheff' den zang als wij

Kort daarna, in 1819, verscheen zijn grootste dichtwerk: het bekroonde Tafereel van de overwintering der Hollanders op Nova Zembla in de jaren 1596 en 1597. Daarnaast schreef hij veel liefdadigheidsgedichten. De opbrengst ervan ging naar slachtofferhulp. Tollens was nu al lang niet meer die vertaler en herderdichter van toen hij jong was.

Tollens was bijzonder populair. Daar zorgden vooral zijn huiselijke gedichten voor, waarin hij niet ’s lands helden maar het burgerlijke leven van alledag bezong. Het leven zoals het moest zijn: met geluk in het gezin, vertrouwen in het vaderland en geloof in God. ‘Op den eersten tand van mijn jongstgeboren zoontje’ schreef hij:

Triomf, triomf! hef aan, mijn luit,
Want moeder zegt: de tand is uit!

De huiselijke gedichten waren zeer toegankelijk geschreven, met niet te veel heftige romantische emoties en ook niet te gezocht klassiek van vorm. Herkenbaarheid stond voorop. Het kleine van de burger maakte van Tollens een populaire dichter, zoals de geschiedenis van het land hem een geprezen dichter maakte. Zo werd Tollens de eerste echt nationale dichter: hij dichtte voor en over de burger en hij dichtte voor en over de natie.

Aan het eind van zijn leven trok Tollens zich terug in een herenhuis in Rijswijk, bekend als ‘het Tollenshuis’. De natie herinnerde zich hem lang, in een rijtje met twee andere nationale dichters: Bilderdijk en Helmers. Koning Willem III huldigde zijn standbeeld in. Zijn zeventigste verjaardag was een groot nationaal feest, zijn overlijden een nationale ramp.

Verder lezen
Portret van Hendrik Tollens, door Sluyter .
Links het huis in Rijkswijk waar Tollens vanaf 1846 tot zijn dood leefde.
Illustratie bij De overwintering der Hollanders op Nova Zembla..