literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
J.J. Cremer
Arnhem 1827 - Den Haag 1880

Jacob Jan Cremer wist niet zo goed wat hij moest worden. Zijn vader, een landeigenaar die vooral in de tabakshandel zijn geld verdiende, wilde hem eigenlijk in een intellectueel beroep hebben en stuurde hem naar een goede kostschool. Toen hij daar niet uitblonk, nam zijn vader een gouverneur voor hem in dienst. Cremer zelf aarzelde tussen toneelspelen en schilderen, waar hij beide talent voor leek te hebben. Het werd een schildersopleiding. In Oosterbeek, in de buurt van zijn woonplaats, hadden zich belangrijke schilders gevestigd, die daar in de buitenlucht de beboste Veluwse heuvels en Betuwse dalen schilderden. Cremer nam op zijn zeventiende les bij Frederik Hendriks. Toen bleek dat hij op die weg verder wilde, stuurden zijn ouders hem naar Den Haag, waar hij zich als zelfstandig schilder vestigde en waar hij vriendschap sloot met andere kunstenaars. Toen bleek dat schilderen alleen niet genoeg voor hem was. Hij begon in de avonduren te werken aan een historische roman, De lelie van ’s Gravenhage, die in 1851 uitkwam. Hierin sluit hij aan bij wat er vroeger van een historische roman verwacht werd: ingewikkelde en geheimzinnige intriges met vondelingen, schakingen, aanrandingen, schurkachtige monniken en lugubere vondsten. Het boek werd in de kritiek gekraakt, omdat er inmiddels een andere smaak ontstaan was.

Cremer trouwde in 1852 en vestigde zich toen in Loenen aan de Vecht. Hij bleef schilder-schrijver, maar in het schrijven richtte hij zijn belangstelling niet meer op het verleden. Hij begon verhalen uit het dagelijks leven te publiceren. In 1856 verscheen zijn tweede roman, Daniël Sils. De hoofdpersoon is een eenvoudige jongen die naar Amerika emigreert – een gegeven dat actueel was in die jaren – en rijk terugkeert.

Echt succes kreeg hij met zijn dorpsverhalen, die voor het merendeel in een vereenvoudigd Betuws dialect waren geschreven. Over het dialect schreef hij: `In de aanwending van ons dialect ben ik zonder strikten regel te werk gegaan, maar gebruikte toch immer de boerentaal waar de handelende personen sprekend worden ingevoerd’. De verhalen staan in Betuwsche novellen (1856), Overbetuwsche novellen (1865) en Nieuwe Over-Betuwsche novellen (1867). Alle verhalen spelen in de buurt van Driel, waar de ouders van Cremer een buitenhuis hadden. Hoofdfiguren zijn meestal een boerenjongen en boerenmeisje die elkaar door omstandigheden niet kunnen krijgen, en vervolgens komt het toch goed. De zeven hoofdzonden, zelfingenomen hoogmoed, hebzucht, hitsige lust, jaloezie, onmatigheid, woedende razernij en vadsige luiheid, komen in de Overbetuwsche novellen aan de orde.

Cremer werd een geliefd schrijver. Dat kwam ook door zijn voordracht. Zijn oude voorkeur voor toneel kon hij uitleven wanneer hij zijn Betuwse verhalen in het publiek voorlas. Dan imiteerde hij de ruwe stemmen van de boeren en de timide dorpsmeisjes, dan hield hij zijn publiek in spanning door van het podium te springen en het rechtstreeks aan te spreken en te vragen hoe het verhaal zou aflopen. Voor zijn literaire carrière vestigde hij zich opnieuw in Den Haag, waar hij lid werd van het bekende literaire genootschap Oefening kweekt kennis. Daar kwamen veel schrijvers voorlezen. Geen stoel bleef onbezet als Cremer optrad. Nicolaas Beets dichtte over hem:

Wie Cremer leest, kent slechts zijn twintigst deel;
Alleen wie Cremer hoort, kent hem geheel.
Men kan door ’t oog niet dan een weinig hooren
Van ’t geen hij ons te aanschouwen geeft, door de ooren.

Hij ontwikkelde zich tot een van de eerste beroepsschrijvers in Nederland, en hij onderhandelde goed over de prijs voor zijn voordrachten.

Toch bleef Cremer zich schilder voelen, hoewel hij aan een vriendin schreef `Inkt vloeit beter dan verf’. Tot 1865 bleef hij deelnemen aan schilderijententoonstellingen, pas daarna draaide hij het werk om, en schreef hij overdag, terwijl hij ’s avonds bleef schilderen.

In toenemende mate stelde hij zich op als een sociaal bewogen schrijver. Hij signaleerde onrecht en schreef daarover. Of hij stelde zich achter initiatieven voor de verbetering van de maatschappij. Zijn bekendste novelle is Fabriekskinderen (1863), geschreven als aanklacht tegen de kinderarbeid. Daarnaast schreef hij de roman Hanna de Freule (1873), waarin het recht van staking door fabrieksarbeiders bepleit wordt. In Anna Rooze (1868) gaat het over ongewenste zwangerschap, en de manieren die jonge dorpsmeisjes vinden om het kind kwijt te raken. De opbrengst van de novelle Een winternacht (1854) was voor de armen. In zijn visie had de arme recht op steun. De `canapé-christenen’ zouden mee moeten helpen aan hervorming van de maatschappij, niet door af en toe een aalmoes te geven, maar door werkelijke veranderingen.

Cremers romans vormen een reservoir voor kennis van de negentiende-eeuwse Nederlandse maatschappij. Juist omdat er weinig schrijvers waren die de eigen tijd tot onderwerp namen, is hij belangrijk. Dat geldt voor zijn sociale romans en verhalen, maar ook voor zijn schetsen van de toneelwereld in De tooneelspelers (1876), en voor zijn psychologische roman Dokter Helmond en zijn vrouw (1870) over een wispelturige en veeleisende vrouw die haar man naar de ondergang drijft.

Cremer stierf nog voor zijn 53ste aan een leverziekte waarmee hij al jaren tobde.

Verder lezen
J.J. Cremer. Foto: M. Verveer. .
Handschrift van een van de Betuwsche vertellingen van J.J. Cremer.
Schilderij van J.J. Cremer: De Wodanseiken te Wolfheze (1849).