literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Na de Franse tijd kwam er rust in het land. Poëzie kreeg de functie daaraan bij te dragen. De kritiek stond welwillend tegenover de vele dichtbundels die verschenen. Het ging hierbij niet om hoogdravende poëzie, maar om wat wel huiselijke poëzie genoemd is. God, gezin en vaderland zijn de centrale thema’s van deze gedichten.

Iedereen dichter
Dichten was niet elitair rond 1820. Iedereen kon meedoen en elk onderwerp was goed. De poëzie was van iedereen en voor iedereen. Er werd zelfs geklaagd dat er teveel poëzie verscheen.

De Engelse literatuurkenner John Bowring bezocht in 1828 Nederland, omdat hij voor een Engelse krant stukken schreef over Nederland. Zijn stuk over de Nederlandse letterkunde begint zo:

`Nooit werd een land zo overstroomd door prulpoëeten en rijmelaars, als tegenwoordig Holland.’ Het zijn waardeloze dichters die aan het rijmen verslaafd zijn geraakt. Dat zou, zo vervolgt Bowring, niet zo erg zijn als poëzie, net als voedsel, gewoon opgegeten en verteerd werd. Maar `die aanblazingen van dat legioen pruldichters worden verslonden en herdacht – en dat is onverdragelijk!’

In de tijd dat Bowring Nederland bezocht, kwamen er inderdaad veel dichtbundels op de markt, vaak gedrukt in een kleine oplage, soms voor rekening van de dichter zelf. Met zijn prulpoëeten doelde Bowring op een speciaal soort dichters, namelijk de aanhangers van het idee dat dichtkunst eenvoudig toegankelijk moet zijn en dat ze in dienst staat van de maatschappij. Ze stelt zich kleine doelen: de burger moet tevreden zijn met zijn bestaan, en als je maar tevreden bent is het leven goed en kan het nog wat beter worden.

In deze jaren, na de moeilijke Franse tijd, was er behoefte aan rust. Willem I, zoon van de oude stadhouder, was nu koning geworden van een groot gebied, want België en Nederland waren bij elkaar gevoegd. De oude twisten moesten niet opnieuw opgerakeld worden. Er heerste een `verzoeningsideologie’. Daarbij hadden de nieuwe natie en de burgerij nieuwe normen nodig. De dichtkunst droeg daaraan bij. Niet alleen door gedichten waarin de koning als een zorgzaam vader voor zijn onderdanen voorgesteld werd. Ook sneden veel dichters in hun poëzie ‘huiselijke’ onderwerpen aan. Bijvoorbeeld het idee dat armoede in een hutje waar liefde heerst beter is dan rijkdom in een paleis als men daar ontevreden is. De dichter schreef over het geluk bij de geboorte van een kind. Of over de goedheid van God, die zorgt voor wie op hem vertrouwt. Een aanleiding om een gedicht te schrijven was er altijd wel: bij een huwelijk, bij overlijden en geboorte, bij de verjaardag van de koning, bij een vertrek naar Indië, maar zelfs bij heel eenvoudige dingen, zoals het doorbreken van het eerste tandje bij een baby. De dichter Hendrik Tollens schreef:

Triomf, triomf! Hef aan, mijn luit,
Want moeder zegt: de tand is uit!
Laat dreunen nu de wanden!
Eerst gaf Gods gunst het lieve wicht
Den adem en het levenslicht,
Nu geeft zij ’t wichtje tanden.

De bedoeling van deze gedichten was om de burgerij een moraal voor te houden waarbij God, vaderland en gezin het belangrijkste waren. Dit heeft te maken met wat algemeen gezien werd als de vier karaktertrekken van het Nederlandse volk. Godsdienstigheid, vaderlandsliefde, huiselijkheid stonden daarin centraal, maar ook vrijheidszucht. Vrijheidszucht is het verlangen naar onafhankelijkheid van vreemde overheersers. Nederland had getoond dat het onafhankelijk was tijdens de Tachtigjarige Oorlog, en opnieuw tijdens de Franse tijd.

De bekendste dichter van deze huiselijke poëzie is de al genoemde Hendrik Tollens. Zijn bundels haalden al in de negentiende eeuw oplagen van boven de 10.000. In een eenvoudig, melodieus Nederlands schreef hij over onderwerpen die zijn lezers herkenden en die hen aanspraken. Over hoe hij ’s avonds na het werk thuiskomt en dan geniet van zijn gezin:

Weer een drokken dag gesloofd,
Met verpijnde kracht,
En een suf gebeuzeld hoofd
Met mij t’huis gebragt.

Weer met daaglijksch lief en leed
D’Avond achterhaald;
En met zorg en eerlijk zweet
Weer mijn brood betaald.

Goeden avond, hartlijk wijf,
Mijn geluk en lust,
Dat mij vurig prangt aan ’t lijf
En mij welkom kust!

Voor een zwanger `gevallen meisje’ schreef hij een gedicht waarin hij met haar treurt om het verlies van haar maagdelijkheid. Haar verleider wenst de dichter alle denkbare kwaad toe: `schande’ moet er op zijn hoofd gebrandmerkt worden, rampen moeten hem overkomen, wroeging moet zijn hart uiteenrijten, hij moet gruwelen van zichzelf. Voor het meisje zelf komt er een eind aan het lijden als het kindje eenmaal geboren is: het moederhart is groter dan de schande:

Moog geen wereld zich erbarmen,
Sluit, getroost, uw kind in de armen;
Roep het, in verrukking toe:
`Wichtje! Zijn wij wél te moe:
Schoon verschopt door een verrader,
Kind! Hier boven hebt ge een vader.

Tollens was ook zeer geliefd om zijn zogenaamde liefdadigheidsgedichten. Dat is een speciaal genre poëzie dat in de negentiende eeuw bloeide. Als er ergens een overstroming was geweest, een schip was vergaan, een huis afgebrand, dan schreef een populaire dichter een gedicht. Dat werd door een plaatselijke uitgever voor niets gedrukt, er werd een klein uitgaafje van gemaakt en dat werd verkocht voor de slachtoffers. Zo’n drukje kostte vaak niet meer dan 10 cent, en de rijken en de middenklasse kochten het om hun deelneming te betuigen. Als Tollens zo’n liefdadigheidsgedicht schreef, was de opbrengst extra hoog. Hij schreef bedelbrieven voor de armen in strenge winters, en nieuwjaarsgedichten voor weeskinderen, waarmee ze langs de huizen konden gaan. Liefdadigheid was niet alleen goed voor de betrokkenen, het hielp ook de maatschappij:

Geeft, lieve mensen! Helpt en geeft!
Met geld is zoo veel goeds te plegen:
Het stilt den honger niet alleen,
Het warmt en kleedt niet enkel, neen!
Het houdt de misdaad tegen.

Nog sterker dan bij de volwassenen was de moraal van de huiselijke poëzie vertegenwoordigd in de gedichtbundeltjes die voor kinderen geschreven werden. Petronella Moens en C. Robidé van der Aa bijvoorbeeld, wilden met hun poëzie de kinderen opvoeden tot tevreden, rechtschapen en goedhartige burgers. Kenmerkend voor de huiselijke poëzie was niet alleen de thematiek. Belangrijk was dat ze toegankelijk was, ook in de taal en in de vorm. Eenvoud en gevoel waren het belangrijkste.

Verder lezen
Portret van Hendrik Tollens, door H.W. Caspari/P. Velyn (1820) .
Een door Hendrik Tollens geschreven liefdadigheidsgedicht.
In De Hollandsche natie brengt J.F. Helmers een ode aan de grote mannen van de Nederlandse geschiedenis. Hugo de Groot was in zijn wiegje reeds uitverkoren om bij te dragen aan 'Hollands roem'.