literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Tegen de huiselijke poëzie en het kritiekloos toejuichen daarvan kwam oppositie in de late jaren twintig van de negentiende eeuw. Gevestigde reputaties werden aangevallen. Een nieuwe literatuur werd voorbereid, die hogere doelen nastreefde. In deze periode zochten de jonge schrijvers aansluiting bij de internationale literatuur en wezen ze enkele oudere dichters aan die als voorbeeld konden dienen, terwijl de rest naar de prullenbak werd verwezen.

Gemor in de marge
Het was genoeg geweest. Met name jonge schrijvers maakten op een gegeven moment korte metten met de literatuur die alleen maar gericht was op het beschaven van de burgerij. Het werd een echte strijd tussen twee scholen, waarbij de een de ander demoniseerde.

De poëzie die in de eerste decennia van de negentiende eeuw in de smaak viel was de zogenaamde huiselijke of utilitaire poëzie. Deze literatuur was sterk gericht op het vormen van een natie en op het kweken van goede burgers. Daarnaast waren er schrijvers die een veel hogere opvatting van de dichtkunst hadden. Bilderdijk, Da Costa en Johannes Kinker zijn daar voorbeelden van. Bij hen is er geen streven naar huiselijke tevredenheid of vaderlandse rust, maar het dichten zelf staat centraal. De dichtkunst is niet het voertuig voor een maatschappelijk doel, maar het is `gestold gevoel’ en vindt de doelstelling in zichzelf. Zoals Da Costa het zei in `De gaaf der poëzy':

Gevoel, Verbeelding, Heldenmoed,
Tot ééne ondeelbre kracht verbonden,
Te saam gesmolten tot één gloed,
En door de boezem uitgezonden
Op vleugelen van melodie,
Om al wat ademt te betooveren,
Om al wat hart heeft te veroveren! -
Zie daar de gaaf der Poëzy!

Deze poëzie kreeg niet veel bijval in het meest gelezen literair blad van die tijd, de Vaderlandsche Letteroefeningen.

Op een gegeven moment kwamen er jonge schrijvers die deze poëzieopvatting overnamen en Bilderdijk als een groot genie gingen zien. Zij hadden oog voor de buitenlandse literatuur en waren de bewondering voor de huiselijke poëzie beu. Het was niet alleen de kwaliteit van de huiselijke poëzie en de opvattingen daarachter die aangevallen werden, ook de kwantiteit vormde een probleem. Iedereen kon een dichtbundel laten drukken en vervolgens juichen: hosannah, ik ben dichter!

In Rotterdam woonden twee jeugdige heethoofden, Adriaan van der Hoop jr. en J.J.F. Wap, die Bilderdijk als romantisch genie bewonderden. Wap was de auteur van een anoniem hekeldicht dat in juli 1828 uitgekomen was onder de titel Nieskruid voor den heer J.L. Nierstrasz, jr. Hierin werd de brave dichter Nierstrasz uitgemaakt voor een schrijver van `hoogdravend woordgehuil’ en `geestbedwelmend klatergerijmel’. Zijn bundel was het `rampzaligste samenlapsel’ dat de criticus ooit onder ogen had gehad. Een maand na deze aanval overleed de 32-jarige dichter plotseling – en zijn dood werd in verband gebracht met het spotschrift. De huisbakken dichters stortten tranen bij zijn graf en demoniseerden de jonge aanvallers.

Wap was ook de redacteur van een van de pittigste tegendraadse tijdschriften in deze jaren, samen met Van der Hoop. Argus kwam in 1828 in Rotterdam uit. De toon was agressief en honend. Het tijdschrift beloofde dat de redacteurs `de hoogschatters en handhavers der waarachtige Poëzie’ zouden zijn en daarnaast `de gesels der veelvuldige rijmelaars'. Vooral de tijdschriften die de smaak verpestten en de literatuur in het verderf sleepten omdat ze `grijs van ouderdom en kinds van oordeel’ waren, werden aangepakt.

Hoogtepunt van kwaadaardigheid in Argus was de grote recensie waarin A. van der Hoop jr. de gedichten van de huiselijke H. van Loghem analyseerde als dolhuispraat:

De Heer Van Loghem kan een braaf man, een goed huisvader, een eerlijk handelaar, een schrander fabrikant, een bekwaam wiskunstenaar, of iets dergelijks zijn, maar als DICHTER verdient hij een krans van slaapblaren, of een muts met bellen. Hij verstaat nog minder zijn taal dan Warnsinck en is nog langdradiger dan Klijn; nog zoetsappiger dan Ten Hoet en nog vervelender dan Vincent Loosjes.

Duidelijk moge zijn dat Van der Hoop meende dat de huiselijke dichters Warnsinck, Klijn, Ten Hoet en Loosjes samen met Van Loghem als amateurs niet bij de echte literatuur hoorden.

Maar de grootste klap deelde Van der Hoop uit aan Tollens. In een veertig pagina's lange anonieme kritiek waagde hij zich aan de eerste aanval op deze grootmeester van de huiselijke poëzie. Hoewel de recensie zeker geen scheldkanonnade was, maar een weloverwogen bijdrage tot een beter peil van de kritiek, sloeg zij in als een bom. Dat Van der Hoop de auteur was, werd weldra bekend en het deed zijn reputatie geen goed.

De opstandige blaadjes hielden ermee op in 1830. Een andere opstand trok nu de aandacht: de Belgische.

De Belgische opstand gaf een nieuwe impuls aan de vaderlandsliefde en daarmee ook aan de utilitaire poëzie. Tientallen dichters namen de pen of ganzenveer in de hand om zich weer in de vaderlandse deugden te storten. Zelfs de scherpe pennen van de jongeren werden nu gebruikt om het vaderland in poëzie te verdedigen. Even werden de familieveten vergeten: Tollens en Van der Hoop verenigden zich broederlijk in hun bijdragen aan de anti-België-poëzie.

Maar dit was slechts tijdelijk. Na de jaren van de Belgische opstand zijn er fundamentele veranderingen gekomen in het literaire denken. De internationale Romantiek drong door en verdrong de waardering voor de huiselijke poëzie – al was dat maar tijdelijk. Bij de dominee-dichters keerde die waardering weer terug.

Verder lezen
Veel poëzie werd geschreven naar aanleiding van de heldendood van Jan van Speijk in de Belgische Opstand, die zichzelf en zijn schip opblies, liever dan in handen van de Belgen te vallen. Hier een rijmprent voor kinderen. (Atlas van Stolk 12591).
Portret van Adriaan van der Hoop jr., door A.J. Ehnle/P. Blommers .