literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Tussen 1830 en 1840 veranderde de Nederlandse literatuur ingrijpend. Jonge auteurs namen het bedrijf over door de ouderen aan de zijlijn te plaatsen. Ze brachten nieuwe genres, zoals de historische roman. Ze hervormden de kritiek, die tot dan toe een magere rol had gespeeld in de literatuur. De oprichting van De Gids betekende dat er voor het eerst een niet persoonlijk gerichte maar wel scherpe kritiek op literaire werken geschreven werd.

Jong Holland
Het lijkt wel alsof er een explosie van talent plaatsvond tussen 1830 en 1840. De auteurs uit de eerste helft van de negentiende eeuw die wij nu nog steeds de moeite waard vinden, debuteerden vrijwel allemaal in deze jaren.

De Leidse universiteit kan in de jaren dertig van de negentiende eeuw gezien worden als een literair centrum. De studenten waren onder de indruk van de grote buitenlandse Romantici en zij schoolden zichzelf in vertalingen van bijvoorbeeld Byron en Victor Hugo.

Met de oprichting van de Rederijkerskamer voor Uiterlijke Welsprekendheid in 1833 ontstond een echte literaire kring. De voornaamste leden waren de student rechten Jan Kneppelhout, en de studenten theologie Johannes Hasebroek en Nicolaas Beets. Het doel van de kamer was elkaars voordracht te verbeteren. Naast werk van Hugo, Bilderdijk, Da Costa of Byron, werden de nieuwste eigen verzen gereciteerd. De kamer kreeg de naam van ‘Romantische Club’. Kneppelhout meende achteraf dat de kamer zich wel erg had laten meeslepen door de Romantiek:

De strijd van het romantisme, welks geklikklak, uit Frankrijk tot ons overgekomen, hier te lande nagalmde, overmeesterde vele jeugdige hoofden en vond onder onze Studenten-Auteurs, leden der Rederijkerskamer, deszelfs dwependste en dolzinnigste voorvechters.

Nicolaas Beets zou de bekendste van de Leidse studenten worden. Hij werd ook toen al op handen gedragen, zij het niet door iedereen. Een andere student-auteur schreef over hem: ‘Behalve dat hij zeer schoone verzen maakt en een fraaije stem heeft, weet hij volstrekt niets gelijk bij zijne ontgroening is gebleken.’ Beets publiceerde romantische dichtverhalen, zoals Jose, een Spaansch verhaal en Guy de Vlaming. Over de indruk die de voorlezing van Jose op een van de vrienden maakte, schreef Beets in zijn dagboek:

Gustaaf scheen mij met eene verplette stilzwijgendheid tot den einde toe aan te horen; toen opvliegende borst hij in tranen uit en mij bij de hand vattende zeide hij: “Beets geef me de hand; ik heb u nog nooit zoo liefgehad als nu!” Nederzittende beefde hij en weende, en had het sterk op de zenuwen.

Tegen de zin van zijn vader gaf Beets ook een bundel vertalingen van Lord Byron uit. Zijn vader was bang dat Beets later in zijn carrière als dominee daar last mee zou krijgen. Beets besloot de vertaling anoniem uit te geven.

In Amsterdam was ook een groep vrienden verenigd in hun afkeer van de oude letterkunde en hoop op een nieuw begin. Sinds het voorjaar van 1833 kwamen de student medicijnen Jan Pieter Heije, de theologiestudenten Aarnout Drost en Reinier Bakhuizen van den Brink en de jonge handelsman Everard Potgieter geregeld bij elkaar. Zij wilden het peil van de Nederlandse literatuur verbeteren. Daarvoor was eerst en vooral nodig dat de literaire kritiek serieuzer werd. Drost nam de leiding. Er werden plannen voor een nieuw tijdschrift gesmeed, De Muzen (1834-1835). Het was het eerste tijdschrift in Nederland waarin de literaire kritiek als een serieus genre werd beoefend.

Na zes opzienbarende nummers overleed Drost, nog geen 24 jaar oud, aan tering. Hij had toen al de historische roman Hermingard van de Eikenterpen uitgegeven, naast enige verhalen en romantische gedichten. Zijn vrienden van De Muzen gaven na zijn dood het werk uit dat nog in handschrift achtergebleven was. De Amsterdamse groep leek uit het veld geslagen, maar kwam weer bij zijn positieven toen uitgever Beijerinck redacteuren zocht voor een nieuw tijdschrift, dat zich vooral tegen de ouderwetse Vaderlandsche Letteroefeningen moest keren. Potgieter zag zijn kans schoon om de droom van De Muzen te verwezenlijken.

Het eerste nummer van De Gids verscheen in 1837. Potgieter en Bakhuizen van den Brink bepaalden de richting van het blad, die het best omschreven kan worden als progressief-romantisch idealisme. Vooruitgang was het kernwoord, en die kwam er door te kijken naar het glorieuze verleden van Nederland in de Gouden Eeuw, en vandaaruit te werken aan een verbetering van de literatuur.

De vernieuwers van deze periode worden bij elkaar wel aangeduid als Jong Holland. Daar horen nog een paar schrijvers bij. In de eerste plaats Jacob van Lennep, die veel betekend heeft voor de opbloei van de belangstelling voor de historische roman. De pleegzoon (1833) werd meteen een succes. Daarnaast ook de belangrijkste vrouwelijke schrijver van de eeuw: Geertruida Toussaint. Haar eerste verhaal, Almagro (1837), is in de geest van Byron geschreven. De hoofdpersoon van haar roman is een echte romantische held, die een gespleten persoonlijkheid heeft, wiens hart naar vrijheid hunkert en die het ene moment hard en mannelijk is, en het andere moment zacht en toegewijd. Hij is een markies die voor een bestaan als zeerover heeft gekozen, maar verliefd is op een adellijk meisje, dat echter niets van zijn dubbelbestaan afweet. Het kost hem zelf echter moeite om beide rollen te spelen, en zo ontvlucht hij de salon waar ook zijn liefste aanwezig is:

Van hier moet ik, weg, verre weg van hier; de rol, die ik hier te spelen heb, voert tot razernij: dat eeuwig afleiden van elken argwaan; dat geweldig bedwingen van elken hartstogt, is mij eene namelooze foltering […] dit leven is doodstrijd, deze schijnkalmte is hel! Voort van hier, voort, naar den ruimen oceaan, waar geest en ligchaam zich vrij gevoelen, waar elke hartstogt uitbruischen, elke stoute opwelling zich lucht geven mag, voort! naar hen, die zonder mij zijn wat het ligchaam is zonder den arm, de ziel zonder hare rede; maar… Editha verlaten, haar, de engel die mij bemint, die het mij zegt met die blikken vol onschuld, (hier werd zijne stem weemoedig, en tranen stroomden over zijn gelaat), den moed der zelfbeheersing niet te hebben voor haar, om haar bijzijn te genieten; neen, neen, Editha!

Toen Toussaint de mensen van De Gids leerde kennen, ging ze serieuze historische romans schrijven, waarvoor ze het verleden intensief bestudeerde. Het huis Lauernesse (1840) is een indrukwekkend verhaal uit de geschiedenis van de Nederlandse hervorming. Er zijn literatuurkenners die beweren dat sommige van haar personages gemodelleerd zijn naar de schrijvers van Jong Holland. Dat zou betekenen dat zij de hervorming van de Nederlandse literatuur wilde vergelijken met de grote religieuze hervorming uit het verleden.

Verder lezen
Op de titelpagina van Het huis Lauernesse staat een biddende Lutheraan afgebeeld. In de verte torens van het Hollandse land waar hij de Hervorming zal brengen (A.L.G. Bosboom-Toussaint, Het huis Lauernesse. G.J.A. Beijerinck, Amsterdam 1840).
Portret van Johannes Kneppelhout, door J.L. Cornet .
Portret van Nicolaas Beets, door Grebner/Lange .
Portret van Aarnout Drost .
De Gids, aflevering 1, 1837. Foto: Letterkundig Museum 's-Gravenhage .
Titelpagina van De Pleegzoon met een afbeelding van een kamer in een middeleeuws kasteel .