literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Humor is in de negentiende-eeuwse letterkunde zo geliefd, dat men spreekt van een `humorcultus’. Historische romans en realistische novellen worden, hoe serieus ze ook zijn, vaak even luchtig gemaakt door een humoristische uitweiding. In het midden van de eeuw zijn er enkele schrijvers die zich toeleggen op humoristische literatuur. Drie schrijvers zijn van belang: P.A. de Génestet, Gerrit van de Linde en François HaverSchmidt.

Humor in letterland
Cabaret bestond er nog niet in de negentiende eeuw. De cabaretiers van nu zouden vroeger humoristische dichters zijn geweest, die een zaal plat gekregen zouden hebben met de voordracht van hun gedichten.

Nicolaas Beets beklaagt zich er in de Camera Obscura over dat er zoveel humoristen zijn: humoristen op rijm, humoristen in proza, geleerde humoristen, huiselijke humoristen, hoge humoristen, lage humoristen, vrouwenhatende humoristen, sentimentele humoristen, ongelikte humoristen, reizende humoristen, plattelandshumoristen en zo nog wat meer. Natuurlijk is deze opsomming ook humoristisch bedoeld. Als humor ooit veel beoefend is in de Nederlandse letterkunde, dan is dat in de periode tussen ongeveer 1840 en 1860. Men spreekt daarom wel over een `humorcultus’.

Voor een deel hangt humor samen met de Romantiek. De vrijheidszucht van de Romantiek en haar aandacht voor het irrationele drijft de schrijver naar experimenten in taal en situaties. Daardoor komt hij op overdrijvingen en abnormaliteiten. Maar het realisme heeft meer humoristische schrijvers opgeleverd dan de Romantiek. De humoristische realisten putten hun stof uit belachelijke situaties in het alledaagse leven. Zo beschrijft dezelfde Beets hoelang het duurt voor een dienstmeid de deur opendoet:

Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het voorhuis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried, die eerst natuurlijk den aardappel waaraan zij bezig was, had moeten afschillen, daarna den bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof zetten, om vervolgens haar roode muilen aan te trekken, haar neus met het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva [schort] in de schuinte op te slaan, en den lange weg te aanvaarden, die van de keukendeur tot bij den barometer twintig, en van den barometer tot de mat, zes stappen vergde.

Een tekst zijn kan humoristisch zijn vanwege de situatie, zoals die van de trage keukenmeid. Nicolaas Beets was daar een meester in. Sommige van zijn personen zijn als typen bekend geworden, bijvoorbeeld Pieter Stastok als de bange onhandige student of Kegge als de nouveau riche.

Er zijn standaard komische situaties en komische personages, die niet voorbehouden zijn aan de literatuur, maar ook op toneel, in de film en bij cabaret voorkomen. Klassiek is de dikke man die last heeft van de hitte. Een andere bekende komische situatie is de hitsige oude man die kijkt naar jonge meisjes zonder enige kans te maken. Struikelen en vallen werkt op de lachspieren als het een ijdel persoon overkomt. Vaste thema’s zijn de pantoffelhelden, geplaagde schoolmeesters, broodnuchtere handelaren, het slimste jongetje van de klas dat iedereen te snedig af is, jaloerse oude juffrouwen en mislukte vrijages. Zo zijn er nog vele overbekende clichés, die toch altijd weer vermakelijk zijn als ze op een nieuwe manier uit de kast gehaald worden. Multatuli heeft zo’n broodnuchtere, fantasieloze persoon in de figuur van Droogstoppel, die poëzie beoordeelt op de letterlijke waarheid:

Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. “De lucht is guur, en ’t is vier uur”. Dat laat ik gelden, als het werkelyk guur en vier uur is. Maar als ’t kwartier voor drieën is, kan ik, die myn woorden niet in gelid zet, zeggen: “de lucht is guur, en ’t is kwartier voor drieën”. De verzenmaker echter is door de guurheid van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist vier, vyf, twee, één uur wezen, of de lucht mag niet guur zyn. Daar gaat hij dan aan ’t knoeien! Of het weêr moet veranderd, óf de tijd. Eén van beiden is dan gelogen.

Het komt ook voor dat de humor meer in het taalgebruik zit, bijvoorbeeld in dubbelzinnigheden en woordspelingen. De schrijver vervormt of verdraait woorden, bootst dialect of gezwollen taal na, gebruikt onverwachte rijmen of herhaalt een uitspraak zo vaak in net iets andere bewoordingen dat het komisch wordt. P.A. de Génestet was een meester in woordspelingen in zijn Leekedichtjes:

`’k Ben voor de waarheid!’ `Goede man ’k geloof het graag;
Maar zijt gij er achter? dat ’s de vraag!’

Wat je ook vaak ziet, is dat zaken die niets met elkaar te maken hebben bij elkaar gebracht worden, bijvoorbeeld door te spelen met de letterlijke en figuurlijke betekenis van woorden. De Schoolmeester, het pseudoniem van Gerrit van de Linde, schrijft over een hond, die `zoo gezond als een visch is’. De Génestet heeft het over een mooie jongen op wie iedereen dol is:

Hij pakte harten in, zoo vlug als iemand die zijn linnen, vesten, frakken,
Op reis met voeten in zijn koffers pleegt te pakken.

De Génestet wisselt in zijn gedichten tussen komische tafereeltjes, woordspelingen en prikkelende uitspraken die aan het denken zetten, met name in geloofskwesties:

Doe ik mijn oogen toe,
Dan wil ik ‘t wel gelooven;
Doch als ik ze open doe
Komt weer de Twijfel boven.

Alle soorten van humor zijn verenigd in De Schoolmeester. Deze gewezen theologiestudent uit Leiden had zich, na schandalen, in Londen gevestigd als schoolmeester. Hij scheef voor het eerst in de literatuur zogenaamde knittelverzen, verzen zonder vast metrum. Zowel in het gebruik van humoristische taal als in zotte tafereeltjes was hij een meester. Tegelijkertijd oefende hij kritiek uit op de samenleving. In zijn ‘Natuurlijke Historie voor de jeugd’ protesteerde hij tegen de omgang met dieren in circussen en dierentuinen, in ‘De boterham en de goudzoeker’ richtte hij zich tegen egoïstische ouders. Een vader is zo overstuur bij de geboorte van zijn derde zuigeling, dat hij niet meer goed kan tellen:

Wat doe ik hier met zoôn vijfde kind?
– ’t Heeft nu reeds van ‘t zuigen een stuk in zijn kraag –
Zoo’n jeugdige haai met zijn volle maag,
Zoo’n zuigend zoogdier, zoo’n lik-in-de-pan,
Zoo’n etende tering, wat maak ik er van?

Gerrit van de Linde staat ook bekend als geestig brievenschrijver. Toen zijn vriend Jacob van Lennep hem wilde bezoeken in Londen gaf hij hem het volgende advies:

Als somtijds de booze lusten van het vleesch je mogten kwellen
Zou ik je maar raden om je weet wel wat ik meen tot in Holland uit te stellen
Want de Engelsche hoeren zal niemand je recommanderen
Ze liggen net als bevroren monumenten in de veren
En om te maken dat een Engelsche hoer-vrouw onder het naaijen een beetje leeft
Zou je er een andere onder moeten leggen die den hik heeft.
Verder lezen
Illustratie bij het gedicht `De boterham en de goudzoeker’ van De Schoolmeester.
De onhandige Pieter Stastok uit Nicolaas Beets’ Camera Obscura speelt biljart.