literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Tot diep in de negentiende eeuw was het in Nederland vrijwel ondenkbaar dat iemand ongelovig was. Wel was er verschil tussen echte kerkgangers en wat vrijere gelovigen, maar echt atheïst was men nog niet. Dat veranderde onder invloed van de algemene mentaliteitsverandering die voortvloeide uit de wetenschappelijke ontdekkingen. Er kwam een crisis in het denken over God.

Godsdienst uit de literatuur
God en de literatuur stonden tot diep in de negentiende eeuw op goede voet met elkaar. In de literatuur was God de vanzelfsprekende trooster bij onheil en de brenger van vreugde. Maar de wetenschappelijke ontdekkingen verstoorden de verhouding.

De geologen kwamen er het eerst mee aan: de aarde is niet in zeven dagen geschapen, en hij is veel eerder ontstaan dan de 4000 jaar voor Christus die men op basis van terugtellen in het Oude Testament aannam. Daarnaast waren er allerlei natuurkundigen die de betekenis van God onderuithaalden met hun ontdekkingen. Niet God was het die in toorn bliksem op de aarde neerliet, maar onweer was een weerkundig voorspelbare reactie van temperaturen in de hoge lucht. Besmettelijke ziekten waren geen straf van God, maar ze kwamen voort uit nonchalance en onkunde en ze waren te voorkomen met strenge hygiëne. Pokken hoefde men niet te krijgen als men zich op tijd liet inenten. Het geloof in God werd vooral op de proef gesteld toen Charles Darwin beweerde dat de mens van de aap afstamde.

Deze ontwikkelingen werden niet alleen in wetenschappelijke en populair-wetenschappelijke tijdschriften en boeken bediscussieerd. Ook de literatuur nam deel aan de discussie. De literatuur kreeg zelfs die functie: de mens overdacht hierin de consequenties van het al dan niet in God geloven. Gelovige schrijvers probeerden in de literatuur aan te geven dat wetenschap en geloof met elkaar verbonden konden blijven. Atheïstische auteurs gaven uiting aan hun ongeloof, en twijfelaars schreven over hun strijd. De lezers hadden behoefte aan literatuur waarin het geloofsvraagstuk overdacht werd.

Tot ongeveer 1850 is literatuur in Nederland vanzelfsprekend godsdienstig. Ze staat niet altijd in het teken van God, maar zijn bestaan is een onbetwist gegeven. Als een held gered wordt is dat door Gods invloed en als een schurk gestraft wordt ook. Soms laten straf en beloning wat lang op zich wachten, maar dat komt doordat Gods wegen duister zijn. Kinderen worden opgevoed met dat idee. Hieronymus van Alphen begon zijn bundel kindergedichten met:

Ik ben een kind,
Van God bemind,
En tot geluk geschapen.
Zijn liefde is groot;
‘k Heb speelgoed, kleedren, melk en brood,
Een wieg om in te slapen.

Hoe anders is Multatuli in Het gebed van den onwetende dat ruim tachtig jaar later verscheen:

Ik ken U niet, o God! Ik riep U aan, ik zocht,
Ik smeekte om antwoord, en Gij zweegt. Ik wou zo graag
Uw wil doen… niet uit vrees voor straf, uit hoop op loon,
Maar zoals ’t kind den wil zijns vaders doet… uit liefde!
Gij zweegt… en altijd zweegt Ge!
          En ik dool rond, en hijg
Naar ’t uur, waarop ik weten zal dat Gij bestaat…

In dit gedicht is Multatuli nog zoekende, hoewel het eindigt met: `O God, er is geen God!’ Later manifesteerde hij zich als atheïst.

Zoekende was ook de domineedichter Peter de Génestet. Hij heeft heel veel betekend voor zijn tijdgenoten, die door de veranderingen en ontdekkingen in de wetenschap in de knoop kwamen met hun oude geloof. In zijn Leekedichtjes stelde hij zich niet op als de dominee die alles weet, maar als een leek, die ook aan het twijfelen is geslagen en geen kant-en-klare oplossingen heeft. De Génestet had een hekel aan degenen die geen greintje humor in godsdienstzaken toestaan:

Ik kan het met uw vroomheid
Niet vinden op den duur:
Zij kijkt me veel te deftig,
Zij kijkt me veel te zuur!

`Mijn Wetenschap en mijn Geloof, die leven saam in onmin’ schreef hij in een ander gedichtje: `Want de een houdt wat de ander doet en denkt en meent voor onzin’. Hij wist precies op te schrijven hoe veel mensen omstreeks 1860 in het geloof stonden:

Doe ik mijn oogen toe,
Dan wil ik ’t wel gelooven;
Doch als ik ze open doe
Komt weer de Twijfel boven.

De Génestet is een aanhanger van het zogenaamde modernisme, dat na 1848 opkwam. Utrechtse en Leidse hoogleraren waren hiervan de voortrekkers. Zij beweerden dat het protestantisme niet meer voldeed voor de eigen tijd, en geen rekening hield met wetenschappelijke ontwikkelingen. De Bijbel was niet woordelijk door God gedicteerd, maar een verzameling van historische teksten, waarin fouten konden staan. Zij volgden daarin Duitse theologen die meenden dat de Bijbel niet letterlijk genomen moest worden. De Jezus-verhalen waren mythen, en dus gelijk aan literatuur. Het modernisme vertrouwde op de vrije mens die zelf de Bijbel kon interpreteren en christelijk leven.

Veel predikanten kwamen in gewetensnood. Daaronder waren nogal wat literatoren. Sommigen gingen zover dat ze uit de kerk stapten, bijvoorbeeld Conrad Busken Huet. Anderen bleven tobben, zoals Peter de Génestet, die wel zijn predikambt neerlegde maar gelovig bleef, en François HaverSchmidt, die uiteindelijk zelfmoord pleegde.

Sommige orthodoxe predikanten probeerden wetenschap en geloof met elkaar te verbinden. Dominee J.J.L. ten Kate schreef in 1866 het lange gedicht De schepping. Daarin probeert hij het bijbelboek Genesis, over het ontstaan van de aarde, met wetenschappelijke inzichten overeen te laten komen. Genesis klopt niet, meende Ten Kate, omdat de schrijver ervan, Mozes, dat wat God hem verteld heeft, niet goed weergegeven heeft. Hij meende dat God over `zes dagen’ scheppen sprak, maar God bedoelde `zes tijdperken’. De aarde was eerst nog een woestenij:

Maar in wat toestand nog! Een vormeloos beginsel,
Een Woest-en-Ledig, in een ondoordringbaar windsel
Van dikke duisternis en alom met zeeën overspreid,
Een strandloze Oceaan, ééne eindloosheid van water!

Wanneer precies is de aarde dan ontstaan? `Heilige mysterie van ’t Wanneer, Gij blijft het eigendom des Eeuwgen!’ Mozes meende dat pas op de vierde dag de zon, de maan en de sterren geschapen werden – ze waren er volgens de geleerden al eerder. Ten Kate kwam met de oplossing: ze waren verscholen achter mist en daardoor onzichtbaar.

Ten Kates gedicht werd heel populair, maar het kon toch niet voorkomen dat de vanzelfsprekende God verdween. Vanaf het derde kwart van de negentiende eeuw is er een scheidslijn gekomen tussen literatuur van gelovigen en van ongelovigen.

Spotprent op De Schepping (1866) van J.J.L ten Kate. Bijlage bij Asmodée nr. 1, 1870.
In het gedicht 'Uit de kindsheid' leert een jongen van zijn moeder de spreuk 'Ik ben een kind van God bemind!' Later, als hij gaat twijfelen aan zijn geloof, denkt hij daaraan met weemoed terug.