literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Tot 1890 kan men de geschiedenis van de Noord-Nederlandse en de Vlaamse letterkunde niet als een gezamenlijke geschiedenis beschrijven. De ontwikkelingen stonden los van elkaar. Er bestonden wel contacten, maar echte samenwerking en diepe verwantschappen waren er niet. De Vlamingen waren wat de letterkunde en de taal betreft nog bezig met zichzelf te verdedigen. Dat veranderde tegen het eind van de eeuw, met de oprichting van het tijdschrift Van Nu en Straks.

Vlaanderen volop
Een Vlaamse schrijver in de negentiende eeuw was een vechtjas. Hij moest zich verdedigen tegen de Fransen en tegen de Noord-Nederlanders, en steeds maar bewijzen dat er ook Vlaamse literatuur bestond. Het tijdschrift Van Nu en Straks hoefde dat niet meer.

Een flink deel van de negentiende eeuw had de Vlaamse literatuur een defensief karakter. Ze moest bewijzen dat ze een eigen bestaansrecht had. Ze deed niet onder voor de Nederlandse en niet voor de Waalse letterkunde. Maar er was geen eenheidsvlaams. Iedereen sprak zijn eigen dialect. Als de Vlaming schreef, gebruikte hij Noord-Nederlands dat hij doorspekte met woorden uit zijn streek. Bovendien ontbrak het in Vlaanderen aan geschoolde lezers, en het aantal beoefenaars van de letterkunde was ook maar klein. `De Vlaamse beweging’ was het voornaamste doel, dus het bevorderen van de eigen letterkunde.

De dichter en priester Guido Gezelle had zich ten doel gesteld om te werken voor de Vlaamse zaak. Hij probeerde typisch Vlaams te dichten en hij werkte aan een Vlaams woordenboek. Zijn poëzie werd al snel herkend als een geheel eigen geluid, dat los stond van allerlei nationalistisch streven. In Noord-Nederland kwamen de Tachtigers erachter dat er een oudere priester in Vlaanderen rondliep die voldeed aan hun principes van individualisme, natuurbeleving en impressionistisch taalgebruik. Maar contact hadden ze niet met hem. Wellicht waren ze ook geschrokken als ze de wereldvreemde en zeer roomse dichter in zijn zwarte gewaad ontmoet hadden. Die had helemaal geen boodschap aan het individualisme van de Tachtigers.

Dat was heel anders bij enkele Brusselse kunstenaars. Die hadden zich gelaafd aan De Nieuwe Gids en wilden een vergelijkbaar tijdschrift oprichten. Brussel was in deze jaren een bruisende stad, waarin opvallende tentoonstellingen gehouden werden en een nieuwe architectuur bloeide. Ook bloeide de Franstalige literatuur er. In het huis van de tekenaar-architect Henry van de Velde kwamen jonge studenten en wat oudere schrijvers bij elkaar. Zij richtten samen het tijdschrift Van Nu en Straks op. Hun tijdschrift was `een voorhoede-orgaan gewijd aan de Kunst van Nu, nieuwsgierig naar de kunst-nog-in-wording – die van Straks – hier en in het buitenland.’

In 1893 kwam het eerste nummer uit, dat bijzonder mooi verzorgd was. Literatoren zoals August Vermeylen en Prosper van Langendonck werkten samen met excellente kunstenaars zoals James Ensor, Henry van de Velde en Jan Toorop. Het derde nummer was helemaal gewijd aan Van Gogh.

De Nieuwe Gids werkte inspirerend op Van Nu en Straks. De redacteurs van het laatstgenoemde tijdschrift bewonderde het enthousiasme van de Nederlanders en de samenwerking tussen de kunstenaars, maar verder zochten ze een eigen weg. Het naturalisme vonden ze te oppervlakkig, het individualisme overleefd. Gemeenschapskunst was voor hen vanaf het begin heel belangrijk. Verder zochten ze hun inspiratie in het Franse symbolisme, in de muziek van Wagner en in politiek anarchisme en socialisme. Net als de Tachtigers waren ze antiburgerlijk. Veel belangstelling hadden ze voor de Romantiek met haar aandacht voor de geesteswereld. Het ging hun om een synthese van gevoel en zinnen, van individu en mensheid, van analyse en mystiek. Synthese is het sleutelwoord van de beweging.

De trekker van het tijdschrift was August Vermeylen. Hij was pas 21 toen het tijdschrift opgericht werd. Vooraf was hij naar Nederland gereisd om Willem Kloos, Van Eeden, Verwey en Van Deyssel te bezoeken. De grootheden van Tachtig zegden hem medewerking toe, hoewel Kloos hem op het hart drukte niet op Holland te leunen. Daarna durfde hij. Hij schreef een bits essay, `Kritiek der Vlaamsche Beweging’, waarin hij de bekrompen, halfslachtige nationalistische geest van Vlaanderens voortrekkers veroordeelde. Tegelijkertijd vroeg hij om vernieuwing van de Vlaamse Beweging, die zelfstandig, consequent en Europees moet worden.

Een andere voorname redacteur was Prosper van Langendonck. Hij fantaseerde over `de grote Dichter der Toekomst’ in zijn belangrijk opstel `Herleving der Vlaamsche poëzij’. Een dichter is volgens hem een volledig en veelzijdig mens die alle schijnbaar losse draden van het leven en de maatschappij samen zal binden `tot de groote synthesis, die het leven zal zijn der toekomst’.

Het tijdschrift was, met name door de medewerking van de beeldende kunstenaars, veel te duur. Het moest twee jaar stoppen voor het verder kon. Een Antwerpse dokter lapte genoeg geld bij om verder te kunnen. Het werd eenvoudiger gedrukt en het werd wat minder revolutionair.

Vanaf 1896 spreekt men van de tweede generatie van Van Nu en Straks. Er kwamen nieuwe auteurs in het tijdschrift, die weldra klinkende namen zouden worden, zoals de romanschrijver Stijn Streuvels en de dichter Karel van de Woestijne. Diens sensuele en woordrijke poëzie vol doodsverlangen maakte ook in Nederland grote indruk:

o menigvoud'ge vrouw die, dicht-omwaadde of naakte,
herinn'ring aan mijn trots of mijn begeerte draagt,
en rilt wellicht bij 't beeld dat ge in mijn oogen zaagt
van schrik om vreugde en nijd om ongeleden pijnen;
en gíj die, onbezeten-schoon, in u voelt schrijnen
spijt om versmade, zomer-rijpe manlijkheid:
vrouwen die zoenen-loom of bitter-wachtend zijt,
nu lamme zomer óp naar torven herfst wil deinen,
gij zult me niet meer kennen, vrouwen....

Noch gíj, noch gíj, die mij bemínt, die mij bemínt....

Gij weet het, o mijn vreemd en teeder-schromend kind,
en, wetend hoe 'k mijn vreugd aan ándre heb geschonken,
toch treedt uw prille zoen bedeesd mijn lippen naêr....
- Thans zijn mijn leden, in hun moeheid, neêr-gezonken;
ik zie uw rijpen mond, en 't wegen van uw haar,
en 'k min u nóg, en ween, en ríl u te beminnen,
o simpel-schoone vrouw die ongeschonden zijt,
en draagt een liefde naar mijn moede dierlijkheid
en zuivre wanen naar mijn schamper-matte zinnen....

Zo’n wulpse dichtkunst en zo’n kleurrijke taal hadden de Tachtigers en de gemeenschapskunstenaars van de jaren negentig in Nederland niet gebracht.

Verder lezen
Titelpagina Van Nu en Straks. Jaargang 1 (1893) .
Portret van Guido Gezelle .