literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: De Leeuw van Vlaenderen of de Slag der Gulden Sporen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
De Leeuw van Vlaenderen of de Slag der Gulden Sporen
Hendrik Conscience (1812-1883), 1838

De Leeuw van Vlaenderen is een historische roman. Historische romans nemen meestal een bijzondere plaats in tussen feit en fictie: ze vertellen veel feiten uit het verleden, maar ook veel wat de schrijver er zelf bij verzonnen heeft. De historische roman was een nieuw genre rond 1800 en het was Hendrik Conscience die het met zijn debuut In ’t Wonderjaer (1837) in Vlaanderen introduceerde. In 1838 schreef hij De Leeuw van Vlaenderen over een heldhaftige veldslag die echt plaats had gevonden in 1302. Maar hij wilde er meer mee bereiken dan een geschiedenis vertellen. Hij wilde in zijn eigen tijd het Vlaamse volk, zijn natie, er zelfvertrouwen mee geven. De Leeuw van Vlaenderen werd veel meer dan een historische roman; het werd het nationale epos van Vlaanderen.

Om te beginnen is er dus het historische verhaal van de veldslag. Dat is de kern waar het verhaal om draait. Conscience vertelt het verhaal aan de hand van de lotgevallen van de graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre, en zijn zoon, Robrecht de Béthune. De bijnaam van deze laatste is ‘de leeuw van Vlaanderen’ en hij is ook de echte held van het boek. Graaf Gwijde en zijn zoon werden door Filips de Schone, koning van Frankrijk, gevangen gezet. De koning kon zo zijn gezag over het graafschap Vlaanderen uitoefenen en hij hief er zware belastingen. Een opstand kon, zo schrijft Conscience, natuurlijk niet uitblijven. Die brak inderdaad uit onder de ambachtslieden in Brugge, onder leiding van Pieter De Coninck en Jan Breydel. Deze opstand van het volk werd bekend als de Brugse Metten van 18 mei 1302. De koning stuurde een strafexpeditie van Franse ridders naar de opstandige Vlamingen. Zij troffen elkaar bij de Slag der Gulden Sporen, 11 juli 1302. Deze twee historische gebeurtenissen vormen de hoogtepunten van Consciences geschiedenis.

Aan die geschiedenis voegde Conscience ook wat toe. Zoals in veel andere historische romans (en nu nog in historische films) was dat in de eerste plaats een liefdesgeschiedenis, in dit geval tussen Adolf van Nieuwland en Machteld, de dochter van De Leeuw van Vlaanderen. Daarnaast vertelde Conscience alles vanuit het perspectief van de hoofdpersoon Robrecht. Dat gebeurde wel vaker, maar het bijzondere is dat hij De Leeuw als een held voorstelt. Op het hoogtepunt van de Guldensporenslag lijkt Robrecht zelfs bovennatuurlijke eigenschappen te bezitten – althans, zo zagen de Vlamingen zijn krijgsdaden. Hoewel hij volgens de historische bronnen niet aan de veldslag deelnam maar gevangen zat in Parijs, keerde De Leeuw in Consciences verhaal de krijgskansen. Robrecht de Béthune werd zo niet meer de zoon van een graaf uit een ver verleden, maar een held die aan zijn volk zijn kracht heeft getoond en zijn volk gered heeft van de Franse onderdrukking.

De Leeuw van Vlaanderen was niet alleen in het verleden krachtig, zo meende Conscience, maar ook in zijn eigen tijd. Zijn verhaal moest aantonen dat de gebeurtenissen uit 1302 net zo goed in 1838 zouden kunnen geschieden. Daarom spreekt Conscience in zijn voorwoord (dat in latere drukken verdween) zijn landgenoten rechtstreeks aan. Hij wil hen opwekken om de politieke toestand, waarin het Nederlands in het nieuwe België geen volwaardige plaats had naast het Frans, te veranderen en op te komen voor hun eigenheid. En na het hoopgevende en heldhaftige verhaal van de oude Vlamingen en hun graven, richt hij opnieuw het woord tot de Vlaamse lezer van de negentiende eeuw:

Gy Vlaming, die dit boek gelezen hebt, overweeg, by de roemryke daden welke hetzelve bevat, wat Vlaenderen eertyds was – wat het nu is – en nog meer wat het worden zal indien gy de heilige voorbeelden uwer Vaderen vergeet!

Conscience wilde met het roemrijke verhaal de Vlamingen laten zien hoe groots hun verleden was geweest, hoe slecht de natie er vandaag aan toe was onder de nieuwe Franse onderdrukking en wat daarvan de gevaren voor de toekomst waren. Hij was bekommerd om zijn Vlaamse natie en schreef daarom met De Leeuw van Vlaenderen eigenlijk een nationaal epos, een heldenverhaal waarin het Vlaamse volk haar oudste grootsheid kon terugvinden.

Het Vlaamse volk was gaandeweg zijn heldendaden vergeten. Maar Conscience bracht ze in herinnering en verhaalde hoe dapper het ooit geweest was. In het heetst van de Guldensporenslag, wanneer de Vlamingen door de Fransen teruggedrongen zijn tot aan de rivier de Leie en het er voor hen dus helemaal niet goed uitziet, duikt er plots een gouden ridder op. Het is de vermomde Robrecht de Béthune, die eigenlijk gevangen zit, maar zijn medevlamingen te hulp komt. Alleen graaf Gwijde en de ridder Alfons van Nieuwland herkennen hem; het Vlaamse volk is slechts onder de indruk van zijn onversaagde en dappere optreden. De verschijning van de gouden ridder geeft hun nieuwe strijdlust.
Op dit oogenblik zag men in de richting van Audenaerde, achter de Gaverbeek, iets dat hevig tegen de zon blonk, zich tusschen de boomen bewegen; dit wonderbaer verschynsel naderde met snelheid en kwam eindelyk in het open veld; twee ruiteren vertoonden zich en kwamen in vollen draf naer het slagveld geloopen. De eene was een ridder, dit kon men aen zyne prachtige uitrusting zien; zyn harnas en alle het yzer dat hem en zyn peerd bedekte was verguld en schitterde verwonderlyk. Een groote blaeuwe vederbos rolde op den wind achter zynen rug, het leder van zyn tuig was geheel met zilveren schelpjes bekleed, en op zyne borst was een rood kruis geschilderd: boven dit teeken op eenen zwarten grond stond het woord Vlaenderen in groote zilveren letteren te lezen.
[...]
De Vlamingen wendden hunne oogen met blyde hoop naer den gulden ridder, die in de verte kwam aenrennen. Zy konden het woord Vlaenderen nog niet lezen, en konden dus niet weten of hy een vriend of een vyand was; maer in hunnen uitersten toestand droomden zy dat God, onder die gedaente hun eenen zyner Heiligen toezond om hen te verlossen. Alles kon hun dit doen gelooven, zyne glansende uitrusting, zyne buitengewoone gestalte en het rood kruis dat hy op de borst droeg.
Gwyde en Adolf, die zich te midden der vyanden verweerden, bezagen elkander met de grootste opgetogenheid, zy hadden den gulden ridder erkend. Nu scheen het hun dat de Franschen veroordeeld waren, want zy hadden een volle betrouwen in de macht en de kunde van dien nieuwen kryger. De blikken, die zy zich onderling toestuerden, zegden:
“ô Geluk, daer is de Leeuw van Vlaenderen!”
De gulden ridder naderde eindelyk by de fransche benden; eer men hem vragen kon wie hy bestryden of bystaen wilde, viel hy op het dikste der ruiters en sloeg met zynen marteel zoo woest en zoo verschriklyk onder hen, dat zy, met vrees bevangen, elkander omverdrongen om zyne slagen te ontwyken. Alles viel voor zynen pletterenden hamer, – en achter zyn peerd bleef in de vyandlyke scharen een ydel spoor gelyk het sog dat een zeilend schip na zich laet; in dier voege, al wat hy treffen kon overhoop smytende, kwam hy met wonderlyke snelheid tot by de benden, welke tegen de Leye gedreven waren en riep:
“Vlaenderen den Leeuw! Volgt my! Volgt my!”
Deze woorden roepende, wierp hy een groot getal Franschen in het slyk, en ging zoo verbazend in de slachting voort dat de Vlamingen hem als een bovennatuerlyk wezen aenzagen.
Nu daelde de moed in hunne harten terug, zy smeten zich te gelyk met een bly gehuil vooruit, en volgden den gulden ridder in wonderdaden na.

Het volk weet niet wie de gouden ridder is, die zo heldhaftig opduikt, en het gelooft in een goddelijke tussenkomst. Dat het eigenlijk de zoon van de graaf is wordt hun verder niet duidelijk. De werkelijke toedracht was voor Conscience ook niet van belang. Wat hij wilde laten zien was dat één figuur, een held, een heel volk weer moed kon geven en kon aansporen om zijn voorbeeld te volgen. Dat deed hij met een deels verzonnen, deels waarheidsgetrouw verhaal uit het verleden, maar hij wilde de Vlamingen in het heden ermee aansporen om voor een betere toekomst te vechten. Het is voor een groot deel aan de invloed van Consciences De Leeuw van Vlaenderen te danken dat de Vlamingen zich een natie zijn gaan voelen en zich schaarden achter een nieuwe leeuw van Vlaanderen op hun vlag (en vanaf 1847 in een nieuw volkslied van de dichter Hippoliet van Peene). In de twintigste eeuw zou de dag van de Guldensporenslag, 11 juli, zelfs de officiële feestdag worden van de Vlaamse Gemeenschap in België.

Verder lezen
Frontgravure van Hendrik Conscience, De leeuw van Vlaanderen. De Cort, Antwerpen 1838, p. π3r.