literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Arnon Grunberg
Amsterdam 1971

Arnon Grunberg heeft zijn middelbare school, het Vossius gymnasium in Amsterdam, nooit afgemaakt. Dat heeft niet verhinderd dat hij een van de belangrijkste jonge schrijvers van Nederland is geworden, die vele prijzen wint en die de grote kranten volschrijft.

Nadat hij van school werd gestuurd, had Grunberg allerlei baantjes, maar begon hij ook zijn eerste toneelstukken te schrijven. Van deze periode doet hij verslag in de min of meer autobiografische debuutroman, Blauwe maandagen uit 1994. Behalve over de grote liefde van de ‘ik’ en over zijn avonturen met escort-girls, gaat het in deze eerste roman onder andere over de oude joodse ouders van de ik-figuur. Zij hebben de Holocaust meegemaakt, en met typisch Grunbergs cynisme en gevoel voor het absurde worden hun angsten beschreven - een gegeven dat ook terugkeert in het volgende boek, Figuranten. Net als de hoofdpersonen in die roman vertrok ook Grunberg zelf in deze periode naar New York, waar hij nu nog steeds woont.

Heel vaak is hij daar echter niet te vinden, want wie zijn blog volgt op www.arnongrunberg.com weet dat de schrijver de hele wereld overvliegt, voor boekpromoties, columns maar ook serieuze reportages uit oorlogsgebieden als Irak en Afghanistan. Om het nieuws is het Grunberg niet te doen met deze ‘missies’, veeleer wil hij weten wat iemand ertoe brengt om soldaat te worden, wat geweld doet met gewone mensen, en bijvoorbeeld welke taal er in een oorlog wordt gesproken.

Ondertussen schrijft hij de ene roman na de andere. Na Fantoompijn uit 2000 verdween het autobiografische vrijwel geheel uit zijn boeken. Ging het daar nog om een schrijver die in New York woont en zich in de schulden steekt, in De Asielzoeker is er een minder rechtstreeks verband. De hoofdpersoon is hier nauwelijks meer een schrijver te noemen: hij heeft zijn pen al tien jaar eerder aan de wilgen gehangen. In plaats daarvan vertaalt hij gebruiksaanwijzingen; volgens hem is dat veel belangrijker werk - een fout in de gebruiksaanwijzing voor een kettingzaag kan immers fataal zijn. Aan het einde van het boek ontdekt hij dat literatuur net zo gevaarlijk is.

In dezelfde tijd begon Grunberg met een zijtak aan het oeuvre: onder de naam Marek van der Jagt schreef hij twee romans. Vooral Gstaad 95-98 is een extreem boek, waarin een serie ranzige en absurde verwikkelingen leiden tot de moord op een klein meisje. Na dit boek was het Grunberg blijkbaar genoeg met dit ‘heteroniem’, bovendien wist iedereen inmiddels wie er schuilging achter Marek van der Jagt. Grunbergs onmiskenbare eigen stijl had hem al snel verraden. Naast zijn voorkeur voor aforismen is ook de licht ironische schrijfwijze met veel herhalingen kenmerkend: ‘Woede is een kwestie van exploderen en hij explodeert. Hij is al zo vaak geëxplodeerd. Zijn exploderen is imploderen geworden’ (De Asielzoeker).

Velen zien rond De Asielzoeker in Grunbergs werk een wending. Hoewel dezelfde thema’s van belang blijven - jodendom en de erfenis van de Tweede Wereldoorlog, schuld, liefde en seks (en vooral wat die met elkaar te maken kunnen hebben) - wordt het ook serieuzer, minder absurd van toon en dus minder autobiografisch. Geweld en de oorlog gaan een belangrijkere rol spelen. In Tirza (2006) is de ogenschijnlijk keurige Jörgen Hofmeester eigenlijk een ‘beest’, en in Onze Oom uit 2008 is niemand meer keurig. De onschuld van kinderen (ook zo’n terugkerend thema bij Grunberg) blijkt niet lang stand te kunnen houden in de echte wereld. Met deze roman dicht Grunberg de kloof tussen zijn romans en zijn reportages: zo lijken zijn ervaringen op missies materiaal te hebben geleverd voor dit boek.

In eerdere boeken baseerde hij zich vaker op andere literatuur. Grunberg gebruikt graag en veel verhalen van anderen, van grote filosofen als Nietzsche tot onbelangrijke schrijvers die haast niemand leest. De reden van al die verwijzingen naar andere teksten (‘intertekstualiteit’) is niet altijd even duidelijk. Wellicht wil Grunberg ermee zeggen dat originaliteit voor hem niet zo belangrijk is: als je maar een goed verhaal vertelt dat de lezer kan boeien. Ook zal hij ermee laten zien wie in zijn ogen belangrijke voorgangers en inspirators zijn. W.F. Hermans kan daartoe gerekend worden, en Frans Kellendonk bijvoorbeeld. Ook zij waren ‘ontmaskeraars’ die via de literatuur de mensen een ontluisterend beeld gaven van de absurde en chaotische wereld. Waar het bij Grunberg steeds weer om gaat is hoe de mens ondanks alles blijft geloven in ‘afgoden’ (geld, liefde, seks, geweld) en steeds weer tot de tragische ontdekking komt dat daar al evenmin heil van te verwachten is als van de gewone God.

Verder lezen
Omslag van Tirza (2006) van Arnon Grunberg.