literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
W.F. Hermans
Amsterdam 1921 - Utrecht 1995

Mag Harry Mulisch de bekendste schrijver van Nederland genoemd worden, Willem Frederik Hermans is toch zeker de meest gevreesde schrijver geweest. Al snel na de Tweede Wereldoorlog vestigde Hermans zijn reputatie als ‘kwelgeest van de Nederlandse letteren’. In diverse kritieken (polemische essays) beschimpte hij de Nederlandse politiek, zijn collega-auteurs en de Nederlandse literatuur, die in zijn ogen niets voorstelde. Deze scheldkritieken werden later gebundeld in Mandarijnen op zwavelzuur (1964) en Het sadistisch universum (1964).

Met dezelfde scherpe pen schreef Hermans in de jaren vijftig zijn eerste romans over de Tweede Wereldoorlog. Na Hermans’ debuut Conserve (1947) reageerde de literaire kritiek geschokt op de roman De tranen der acacia’s (1949). In de personages van dit boek zag men een door de oorlog getekende generatie, zonder hoop, geloof en idealen. De hoofdpersonen bedriegen elkaar, zijn wanhopig en onbeschroomd in hun seksuele omgang. Bovendien liet Hermans in het boek zien dat het Nederlands verzet tegen de Duitsers niet altijd even heldhaftig was. Het verzet bestaat in De tranen der acacia’s uit een zootje ongeregeld: fantasten en leugenaars, die hun status ontleenden aan terreurdaden tegen de Duitsers.

De tranen der acacia’s is typerend voor Hermans’ oeuvre. In het boek vormt de oorlog namelijk de achtergrond voor diepere psychologische en filosofische vraagstukken. Doordat de hoofdpersoon Arthur twijfelt aan de identiteit van anderen (is zijn ‘vriend’ Oskar een verzetsheld of een verrader?), gaat hij ook twijfelen aan zijn eigen identiteit.

Zowel in deze roman als in Hermans’ latere boeken over de oorlog, berust het onderscheid tussen goed en kwaad op willekeur, ‘moedwil en misverstand’. In de novelle Het behouden huis (1952) beschrijft Hermans hoe enkele partizanen een verlaten villa in oorlogsgebied verwoesten en opblazen. Dit nadat de Duitsers het huis uit respect voor de ‘cultuur’ hadden gespaard. De laatste zin van het boek illustreert goed Hermans’ idee dat de oorlog de beschaving had doorgeprikt als ware het een ballon. Nadat de hoofdfiguur een handgranaat in het toch al verwoeste huis heeft gegooid staat er: ‘Het was of het [huis] ook aldoor comedie had gespeeld en zich nu pas liet zien zoals het in werkelijkheid altijd was geweest: een hol tochtig brok steen, inwendig vol afbraak en vuiligheid.’

In zijn latere boeken De donkere kamer van Damokles (1958) en Nooit meer slapen (1966) laat Hermans nog eens zien dat de mens tevergeefs probeert om greep op de wereld te krijgen. In deze boeken blijken de zintuigen even onbetrouwbaar als de taal. Hermans’ personages zien en horen niet wat er werkelijk aan de hand is. Bovendien raken ze vaak verstrikt in de chaotische werkelijkheid die schuilgaat onder een schijnbare orde. Zo gaat de jonge geoloog Alfred Issendorf in de roman Nooit meer slapen (1966) tevergeefs op zoek naar meteorieten in Noorwegen. Alles loopt anders dan hij gedacht had. Niets en niemand werkt mee, de beloofde luchtfoto’s krijgt Alfred niet, en ten slotte verliest de geoloog zijn kompas. Als hij uitgeput thuiskomt, blijken er in ‘zijn gebied’ meteorieten te zijn ingeslagen. Wat overblijft is de ontgoocheling, de totale desillusie.

Hermans was er een meester in om zijn ogenschijnlijk realistische verhalen - over de oorlog, de wetenschap of de (politieke) actualiteit - te vermengen met bovennatuurlijke droomvertellingen. Hierdoor word je als lezer meegezogen in Hermans’ wonderlijke, sadistische universum, waarin de mens er niet al te best vanaf komt. Toch bevatten Hermans’ boeken ook de nodige humor en vitaliteit, zodat de lezer niet stikt in de zwartgalligheid.

Verder lezen
W.F. Hermans. Foto: Chris van Houts.