literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Poëzie was voor de symbolist geen uitdrukking van de eigen gevoelens. In plaats daarvan moest het gedicht voeren tot het hogere of ‘het schone’, bijvoorbeeld door symbolen of door het taalgebruik.

Uit een hoge toren: symbolisme in de Nederlandse poëzie rond 1900
Het was rumoerig in de wereld aan het begin van de 20ste eeuw. Maar er waren dichters die zich weinig aantrokken van wat er allemaal in de buitenwereld gebeurde.

‘Toeschouwer ben ik uit een hoge toren / een ruimte scheidt mij van de wereld af’ - zo beschreef Martinus Nijhoff de rol van de symbolistische dichter.

In hun opvatting was het niet de taak van de dichter om iets te zeggen over de samenleving. Poëzie moest volgens hen niet gaan over de alledaagse realiteit van bijvoorbeeld oorlog of werkeloosheid, maar moest zich juist richten op wat daarboven uitstijgt, op ‘het hogere’.

Symbolisten gaan ervan uit dat de wereld weliswaar chaotisch en verwarrend is, maar dat er een hogere wereld is waarin er wel orde en eenheid heerst. Net als de Griekse filosoof Plato stellen ze dat achter alles een hogere Idee schuilgaat. Zo weerspiegelt alles op aarde, tot in het kleinste regendruppeltje, een andere wereld: het heeft daar een ‘correspondentie’ mee.

Het belangrijkste kenmerk van de symbolisten is dan dat zij het gedicht beschouwen als een instrument of kenmiddel om in contact te komen met de schoonheid van die hogere werkelijkheid. Dat kan bijvoorbeeld door het gebruik van ‘symbolen’. Daarmee worden geen vastliggende symbolen bedoeld, zoals ‘het hart’ dat staat voor ‘liefde’, maar unieke en daardoor soms moeilijk te interpreteren symbolen.

Een tweede kenmerk is dat het de symbolisten niet gaat om het uitdrukken van de emoties van de dichter, zoals bij de Tachtigers, maar om het gedicht en de taal. Een belangrijke eigenschap van symbolistische poëzie is dus dat die vaak naar zichzelf verwijst. Daarom zegt men wel, met een Franse term, dat deze stroming kunst voor de kunst voortbracht: l’art pour l’art. In veel gedichten ligt de nadruk dan ook op de (on)mogelijkheden van de taal; zo worden nogal eens woorden als ‘onzegbaar’, ‘murmelen’, ‘fluisteren’ enz. gebruikt.

Het bijzondere taalgebruik is een derde kenmerk: symbolisten maken veelvuldig gebruik van suggestie, ingewikkelde beeldspraak en ambiguïteit (meerduidigheid). Op die manier proberen ze het ‘onzegbare’ toch te zeggen.

Hoewel er in Nederland, in tegenstelling tot Frankrijk, geen vaste groep symbolisten heeft bestaan, kan een aantal auteurs toch met de stroming in verband worden gebracht. Te denken valt aan dichters als Albert Verwey, P.C. Boutens en J.H. Leopold.

Een beroemd symbolistisch gedicht van Leopold (1865-1925) is ‘Regen’. De ‘ik’ bekijkt een regendruppel die na een bui nog is te zien op een raam. In die druppel wordt de hele wereld weerspiegeld, zoals blijkt uit de laatste strofe:

en al de blinking en het vergezicht,
van hemel en van aarde, akkerzwart,
stralende waters, heggen, het verward
beweeg van menschen, die naar buiten komen,
ploegpaarden langs den weg, de oude boomen
voor huis en hof en over hen de glans
der daggeboort, de diepe hemeltrans
met schitterzon, wereld en ruim heelal:
het is bevat in dit klein trilkristal.
Meer hierover
Verder lezen