literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Poëzie moest de mensheid redden en de dichter is als een priester. De expressionisten konden deze hoogdravende idealen niet lang volhouden: er kwam kritiek van binnenuit.

Dynamiet of diamant? Expressionisme en de ‘nieuwe mens’
Soms komt een stroming voort uit één enkel boekje. Zo ging het ook met het expressionisme.

Een jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog verscheen bij een kleine Duitse uitgever de bloemlezing Menschheitsdämmerung. Symphonie jüngster Dichtung, samengesteld door de schrijver en journalist Kurt Pinthus. Het boek ging onder jongeren van hand tot hand en verwierf al snel cultstatus als boegbeeld van een geëngageerde en kritische nieuwe kunststroming, het expressionisme. Wereldberoemd werd het eerste gedicht uit de bloemlezing, ‘Weltende’ van Jakob van Hoddis, waarin al meteen de bedoelingen van de nieuwe kunst duidelijk werden gemaakt: ‘Der Sturm is da’, dicht Van Hoddis, en ‘Dem Bürger fliegt vom spitzen Kopf der Hut’. Het gedicht onttroont de burgerman (het symbool van burgerlijke waardigheid waait hem bij deze storm van het hoofd), waarmee de weg wordt vrijgemaakt voor een nieuwe mens.

Over wie die ‘nieuwe mens’ precies was, bestond onder expressionisten uiteindelijk minder overeenstemming dan over de noodzaak van zijn verschijning. Wanneer de dichter H. Marsman in een essay uit 1929 terugblikt op de verschijning van Menschheitsdämmerung, typeert hij de revolutie die in de bloemlezing werd aangekondigd als volgt:

Het was een […] doorbreking van een verstarrend verleden en een verdorrend levensgevoel; het was de breuk, kort, luid en wanhopig met een aesthetisch, ethisch en sociaal organisme, dat het leven verengde, dat den mens, naar de mening der expressionisten vernederde, knechtte en brak. Het was een woedend en gillend protest tegen een kapitalistische terreur, tegen een esoterisch, romantisch individualisme, tegen den oorlog, den georganiseerden massamoord. Het expressionisme was revolutionair; links-revolutionair, nauwkeurig gezegd, humanistisch, democratisch, aktivistisch, communistisch, anarchistisch; het was éen felle, verwilderde, letterlijk hartverscheurende kreet om de redding der mensheid, der wereld.

De redding der mensheid – deze niet geringe ambitie kenmerkt het expressionisme in de jaren na de Eerste Wereldoorlog, ook in Nederland en Vlaanderen. En de toon waarop daaraan in expressionistische gedichten vorm werd gegeven, was hoog. Dichters als Wies Moens, Herman van den Bergh, Marnix Gijsen en de jonge Van Ostaijen schreven vaak nogal retorische en gezwollen poëzie, waarin voor de dichter soms een opmerkelijke (helden)rol was weggelegd. In deze regels uit ‘Het sienjaal’ van Paul van Ostaijen, bijvoorbeeld, waarin de dichter zichzelf vergelijkt met een priester:

Priester zijn: dienaar die wat onwerkelik is herschept tot het levende leven, doch ook hij die dageliks nuttigt het Vlees en het Bloed drinkt, door zijn hand geschapen uit de tarwe en de wijn.
Geen zelfstandig leven, doch het allergrootste:
ik heb woorden gesproken en zie: de wijn is bloed geworden!

De tijdsomstandigheden maken dat het expressionisme soms een politiek karakter aanneemt. In het geval van Van Ostaijen vindt de liefde tot de medemens onder meer uitdrukking in het politieke ideaal van een Vlaanderen dat niet langer wordt gedomineerd door de Franstalige cultuur.

Marsman was dus niet de enige dichter in het Nederlands taalgebied die zich gevoelig toonde voor de retoriek van dit humanitair georiënteerde expressionisme. Toen Dirk Coster in 1924 zijn bloemlezing Nieuwe geluiden publiceerde (‘een keuze uit de poëzie van na den oorlog’) erkende hij in zijn inleiding eerlijk ‘dat het voornemen om dezen bundel samen te stellen [was] ontstaan gedurende het doorbladeren van een bekend Duitsch verzamelwerk’: Menschheitsdämmerung. Nieuwe geluiden heeft een veel minder duidelijke ‘richting’ dan het Duitse voorbeeld (er staan dichters in van zeer uiteenlopende signatuur), maar volgens Coster tekent zich in de ‘jongste’ dichtkunst van na de oorlog wel een duidelijke ontwikkeling af. ‘Het groote Romantische verlangen sterft uit’, aldus Coster, en in plaats daarvan zien we meer en meer een ‘erkenning der werkelijkheid, en de verhoogde drang zich aan die werkelijkheid te geven’. En om een voorbeeld te geven van wat hij zich bij dit nieuwe engagement voorstelt, schuift hij het vroege werk van Paul van Ostaijen naar voren als een van de hoogtepunten uit zijn bloemlezing.

In de crisisperiode na de Eerste Wereldoorlog sloeg de humanitaire en idealistische boodschap van de nieuwe poëzie erg aan. Toch verzetten veel dichters zich in de jaren twintig tegen het soort expressionisme dat Coster voorstaat. Niet in de laatste plaats Van Ostaijen zelf. Tegenover de gezwollen pathetiek van het expressionisme stelt hij aanvankelijk het dadaïsme van De feesten van angst en pijn, maar uiteindelijk zal hij de nadruk gaan leggen op het autonome karakter van het kunstwerk. Poëzie, zo is zijn uiteindelijke opvatting, is woordkunst. Het gaat in gedichten niet om de idealen of de aspiraties van de dichter, maar om het klank- en woordenspel. De rest is ‘buitenlyriese hogeborstzetterij’.

Ook Marsman keurt uiteindelijk het soort poëzie van Menschheitsdämmerung en Nieuwe geluiden af. Bij al het retorische geweld ervan, meent hij, ging de poëzie verloren:

De inhoud en ideologie van het expressionisme was zo verwoed en hardnekkig, zo blindelings en bezeten horizontaal en centrifugaal, dat alleen de samenballende, middenpunt zoekende en loodrechtstijgende tegenkracht van een genie haar had kunnen temmen, omvormen, doorlichten. De kleineren bezweken eraan. Intensiteit van expressie, bij adaequate intensiteit van emotie, die inderdaad het kenmerk is van levende poëzie, kón zelfs het expressionisme niet hebben, want het was, wat het wilde, nauwkeurig het tegendeel van intens: explosief. Poëzie is geen dynamiet, maar diamant. De dichter mag zijn wat hij wil, maar zonder de buitenmenselijke sirenische aandoening, zoals het genoemd is, is hij niets.
Verder lezen
H. Marsman in Locarno, 1938.
Gedicht van H. Marsman, dat uiteindelijk onder de titel ‘Vlam’ in zijn debuutbundel Verzen (1923) werd opgenomen.