literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Niet alleen in dagboeken als dat van Anne Frank, maar ook in fictie speelt WO II een enorme rol. Op die manier wordt het verleden begrepen, bewaard en vormgegeven. Ook poëzie werd door de oorlog beïnvloed: zij mocht niet meer alleen maar mooi zijn.

De oorlog als thema en als breuk: WO II in de literatuur
Veel mensen wilden de oorlog het liefst zo snel mogelijk vergeten, maar in de literatuur was daar geen sprake van. In de literatuur van de jaren veertig en vijftig speelt WO II een prominente rol.

Sommige oorlogsboeken vinden zelfs een zeer grote verspreiding, zoals Anne Franks Het achterhuis (1947). Vooral nadat het boek in de Verenigde Staten een succes was gebleken, werd het in Nederland massaal gelezen. Ook het aan Het achterhuis verwante Het bittere kruid (1957) – Marga Minco’s ‘kleine kroniek’ van de Jodenvervolging, verteld vanuit het perspectief van een jonge joodse vrouw – beleefde herdruk na herdruk.

Voor veel auteurs is de oorlog een onontkoombaar thema. Daarbij gaat het vaak over literatuur die niet of slechts ten dele ‘verzonnen’ is. Louis Paul Boon, bijvoorbeeld, riep in de reportage-achtige verhalen van Mijn kleine oorlog (1946) de sfeer van de oorlogsjaren op. En velen schreven, net als Anne Frank, oorlogsdagboeken.

Voor veel jonge auteurs, die volwassen werden in de oorlog, blijken de oorlogservaringen bepalend te zijn geweest voor hun schrijverschap. Zo zei W.F. Hermans in een interview: ‘Mijn hele jeugd stond in het teken van de oorlogsdreiging. Ik had als jongen nogal een beperkte bewegingsvrijheid. Zeer strenge ouders. Toen na mijn eindexamen gymnasium mijn studententijd had moeten beginnen, brak de oorlog uit en werden ook die jaren verpest.’ Hermans verhalend proza is inderdaad niet van de oorlog los te zien, vanzelfsprekend niet in verhalen die in de oorlog spelen, zoals De donkere kamer van Damokles (1958) of Het behouden huis (1953), maar ook niet wanneer de historische gebeurtenissen tussen 1939 en 1945 slechts zijdelings aan de orde zijn.

Hetzelfde geldt voor belangrijke naoorlogse auteurs als Gerrit Kouwenaar (die in 1951 de oorlogsroman Ik was geen soldaat publiceerde) en Gerard Reve. Over Reves De avonden (1947) is vaak opgemerkt dat de oorlog er niet voorkomt op een enkele toespeling na. Maar terecht tekent de schrijver K. Schippers daarbij aan: ‘als ik het boek herlees is die oorlog voor mij op iedere bladzijde aanwezig. Het boek is een monument van het verzwijgen.’

Literatuur kan, voor schrijvers én voor lezers, een hulpmiddel zijn bij het verwerken van trauma’s. Maar literatuur is ook een van de manieren waarop we ons verleden begrijpen, bewaren en vorm geven. Romans en verhalen hebben sinds 1945 in niet geringe mate bijgedragen aan de beeldvorming rond de oorlog. Naast de genoemde auteurs leverden ook Theun de Vries (Het meisje met het rode haar, 1956) en S. Vestdijk (Pastorale 1943, 1948) daaraan een bijdrage. Maar de oorlog bleef ook later, tot op de dag van vandaag, een prominent thema in de Nederlandse literatuur. Zo is de oorlog in Hugo Claus’ magnum opus Het verdriet van België (1983) nog steeds een belangrijk thema.

De Tweede Wereldoorlog heeft niet alleen het proza sterk getekend, hij heeft ook zijn stempel gedrukt op de ontwikkeling van de Nederlandse poëzie. Je kunt wel stellen dat hij dé bepalende factor is in de poëzie van alle naoorlogse dichters die tot de Vijftigers gerekend worden. In het werk van de dichter/schilder Lucebert, bijvoorbeeld. ‘In deze tijd’, dicht Lucebert enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog, ‘heeft wat men altijd noemde / schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’. Het is een bekende regel, maar wat betekent hij eigenlijk? De aanduiding ‘In deze tijd’ moet verwijzen naar de gruwelen van de oorlog: in dát vuur heeft ‘schoonheid schoonheid’ haar gezicht verbrand. Van die ‘schoonheid’, of beter: van wat men altijd zo noemde, heeft Lucebert geen hoge pet op, dat is duidelijk; de sarcastische herhaling spreekt boekdelen. Lucebert constateert hier dat kwalificaties als ‘schoon’ en ‘mooi’ nietszeggend zijn geworden. Wie zich, na de wereldbrand, nog bekommert om ‘schoonheid’, die steekt z’n kop wel erg ver in het zand.

‘Het is barbaars om na Auschwitz een gedicht te schrijven,’ schreef Adorno in 1949. Het is een statement dat vaak geciteerd is. Waarschijnlijk moeten we het niet lezen als een verbod om ooit nog poëzie te schrijven, maar om het feit dat de naoorlogse dichter zich ervan bewust is geworden dat de poëzie geen onschuldig medium is. Schoonheid heeft haar gezicht verbrand. Auschwitz betekent het einde van de poëzie zoals we haar kenden: met zelfgenoegzame gedichtjes en hun mierenzoete attributen kun je na de Holocaust niet meer komen aanzetten.

Dat vond althans Lucebert. Geen Nederlands dichter heeft scherper verwoord dat het schrijven van poëzie van het soort dat vóór de oorlog goed gevonden werd na 1945 in haar probleemloze mooiheid een bevestiging zou inhouden van een failliete cultuur. Lucebert confronteerde deze cultuur dus met haar tegendeel: de barbarij. In het gedicht ‘School der poëzie’ dicht hij:

ik bericht, dat de dichters van fluweel
schuw en humanistisch doodgaan.
voortaan zal de hete ijzeren keel
der ontroerde beulen muzikaal opengaan.

Stelselmatig onttakelt Lucebert in zijn poëzie alle conventies die voorheen als de wezenskenmerken van het genre werden gezien. Hij verwerpt resoluut alle oude vormen, strofen en rijm. Wanneer hij in ‘School der poëzie’ als bij vergissing toch rijmt, roept hij zichzelf onmiddellijk tot de orde en hoont hij zijn nog veel te mooie gedicht:

nog ik, die in deze bundel woon
als een rat in de val, snak naar het riool
van revolutie en roep: rijmratten, hoon,
hoon nog deze veel te schone poëzieschool

Als een rat in de val van de poëzie. Naast de paradox van Adorno (gedichten schrijven kan eigenlijk niet meer, maar het gebeurt toch) is er dus ook de paradox van Lucebert: ik morrel aan de fundamenten van de poëzie, maar ik doe dat in poëzie. Omdat ik nu eenmaal dichter ben.

Waar de oorlog in het proza vooral een thema was – schrijvers gebruiken de roman om te reflecteren op vaak traumatische oorlogservaringen –, in de poëzie heeft de oorlog in eerste instantie de vorm van de gedichten beïnvloed: dichters (naast Lucebert ook bijvoorbeeld Gerrit Kouwenaar, Remco Campert en in Vlaanderen Hugo Claus) gaan op zoek naar een (vorm)taal die een duidelijke breuk markeert met de vooroorlogse esthetica.

Verder lezen
Anne Frank (1929-1945) werd dankzij haar dagboek uit de oorlogsjaren een van de iconen van de Tweede Wereldoorlog.
Marga Minco. Foto door Chris van Houts.
Pagina uit het dagboek van Anne Frank, gedateerd 29 maart 1944. Het dagboek is na de oorlog uitgegeven als Het Achterhuis en is een van de meestgelezen werken uit de literatuur over de Tweede Wereldoorlog.
Omslag van De avonden van Gerard Reve. In de in 1947 voor het eerst verschenen roman wordt de Tweede Wereldoorlog vrijwel nergens expliciet genoemd, maar tussen de regels speelt deze, en vooral het verzwijgen ervan, wel degelijk een belangrijke rol.