literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

In plaats van de opbeurende boeken waar de kritiek op zat te wachten, verschenen er ontluisterende romans na de oorlog. De hoofdpersonen daarin geloven nergens meer in, hebben geen belangstelling voor kunst of wetenschap, en zijn geobsedeerd door lichamelijk verval.

Cynisch en landerig: de roman na de oorlog
De jaren vijftig staan te boek als saai. Kneuterige huiskamergezelligheid, een kleinburgerlijke moraal en verstikkende gezinsretoriek.

Oranjeverenigingen, kolenkachels en het zondagse pak… Gedreven door het verlangen naar snel economisch herstel, beriep de gevestigde orde in Nederland zich met alle geweld op de oude waarden van het domineesland. Terug naar de oer-Hollandse deugden van zuinigheid en beheersing! De historicus Blom sprak over deze periode van ‘wederopbouw’ als over ‘de jaren van tucht en ascese’: het was geen tijd voor (dure, risicovolle) experimenten; het was een tijd die om degelijkheid vroeg.

Inmiddels is dit beeld van de ‘saaie’ jaren vijftig al vaak genuanceerd. Achteraf blijken bijvoorbeeld sommige van de vernieuwingen die wij nu met de mythische sixties in verband brengen – zoals democratisering en het verdwijnen van vastgeroeste hiërarchieën – al in de vijftiger jaren voorbreid te zijn. Toch hebben we het clichébeeld nodig om goed te kunnen begrijpen wat er in de literatuur van de naoorlogse jaren gebeurde. Zo is in de poëzie de Beweging van Vijftig, die door onder andere Lucebert, Gerrit Kouwenaar en Remco Campert in gang werd gezet, onmogelijk los te zien van de onvrede van deze jonge dichters met het conservatisme van de oudere generatie. Lucebert merkte op dat het ‘vooroorlogs normenparadijs’ van de oudere generatie tussen 1939 en 1945 tot ‘de poorten van de hel’ had geleid.

Ook de jonge romanschrijvers die in de naoorlogse jaren de aandacht op zich begonnen te vestigen – zoals Gerard (Kornelis van het) Reve, Willem Frederik Hermans, Anna Blaman en Harry Mulisch – moesten niets hebben van de opgeruimde wederopbouwmentaliteit en van het gemoraliseer dat daarbij hoorde. Hun werk was een regelrechte provocatie van de oudere generatie. Waar oudere critici in deze moeilijke tijd hoopten op een optimistisch, levenskrachtig geluid vanuit de jongere literatuur, daar bleken de nieuwe prozaschrijvers totaal niet bereid aan die wens te voldoen. Hun werk uit de jaren veertig en vijftig is in veel opzichten zelfs ronduit ontluisterend.

Kenmerkend voor het naoorlogse werk van de genoemde schrijvers is dat het benadrukt dat de oorlog de jeugd van alle illusies heeft beroofd. Voor de personages die in de naoorlogse roman rondlopen, is zonneklaar dat de tijd van gemoraliseer en van goede bedoelingen voorgoed voorbij is. Typerend zijn de woorden van personage Lodewijk Stegman uit W.F. Hermans’ roman Ik heb altijd gelijk (1951):

Ik zal jou eens iets vertellen! Er zijn helemaal geen geestelijke waarden! Geestelijke waarden, dat is alleen iets voor mensen die geen materiële waarden te pakken kunnen krijgen. Of voor mensen die veel materiële waarden bezitten en te lui zijn er verder moeite voor te doen! Dat zijn geestelijke waarden.

Het mensbeeld van deze Lodewijk is buitengewoon ontluisterend. Voor hem is de mens geen rationeel handelend wezen dat naar het goede streeft, maar een zelfzuchtig monster dat puur op (materieel) eigengewin uit is. Hij staat daarmee in de Nederlandse literatuur uit de naoorlogse periode niet alleen. Ook de hoofdpersonages uit Hermans’ De tranen der acacia’s (1949) en uit de romans van Reve (De avonden, 1947), Blaman (Eenzaam avontuur, 1948) en Mulisch (Archibald Strohalm, 1952) zijn cynici die, gebroken als zij zijn door de oorlog, nergens meer in geloven.

Het ontluisterende van deze personages bestaat uit een aantal aspecten die in veel van deze romans terugkeren. Ten eerste de afwezigheid van idealen of ‘grote gevoelens’: er is geen geloof meer en zelfs geen liefde. Ten tweede hebben de hoofdpersonen geen enkele wetenschappelijke, politieke of artistieke belangstelling: ze zijn nadrukkelijk onintellectueel. Daar staat, en dat is een derde kenmerk, een grote interesse voor het lichamelijke tegenover- in De avonden gaat het voortdurend over kaalheid, kanker of zweetvoeten.

Waar de critici hoopten op personages die de (jonge) lezer rolmodellen zouden bieden (optimistische jonge mensen die de handen uit de mouwen wilden steken), daar kregen zij van Hermans, Reve, Blaman en Mulisch een bende illusieloze leeglopers. Mensen die het leven uitzichtloos vonden; die op de afgrond afstevenden; geen toekomstdromen koesterden. Over Frits van Egters uit De avonden kun je veel zeggen, maar in elk geval niet dat hij het toonbeeld is van het toekomstige gezinshoofd. En Kosta uit Blamans Eenzaam avontuur is niet de eerste aan wie je denkt als het erom gaat de economie weer op vooroorlogs peil te helpen terugbrengen. Zulke ‘cynische en landerige personages’, schreef een criticus, ‘ontluisteren de mooie dingen des levens’…

Hoe teleurstellend de naoorlogse roman in Nederland ook was voor de oudere generatie, zij heeft wel een zeer indringend en tot op de dag van vandaag aansprekend beeld geschetst van de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog op de generatie die in de oorlogsjaren volwassen werd. De avonden, Eenzaam avontuur, Ik heb altijd gelijk: het zijn romans die de ontreddering tonen van een generatie die in 1945 nog niet in staat bleek een antwoord te formuleren op de bijzonder prangende vraag: wat nu?

Verder lezen