literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Een nieuwe generatie dichters. Voor hen is het spontane proces van het dichten belangrijker dan het product. Hun gedichten zien er dan ook heel anders uit dan men gewend is.

Alles moest anders: experiment en spontaniteit in de poëzie van Vijftig
In 1949 bezorgde een sjofel geklede Amsterdamse jongen een pakketje gedichten bij uitgeverij De Bezige Bij.

Het waren onconventionele gedichten, dat wist hij ook wel, maar hij had ze móeten schrijven, en nou moesten ze ook maar gelezen worden ook. Maar de dienstdoende redacteur dacht daar anders over. Maandenlang hoorde de jongen niets: het manuscript bleef maar in de bureaulade van de redacteur liggen, naar achteraf bleek omdat hij dacht dat alleen een krankzinnige zulk werk kon maken. Toen uiteindelijk een ándere uitgeverij wel een bundel van de vermeende krankzinnige had uitgeven, ging De Bezige Bij overstag. Pas toen, in 1952, verscheen Luceberts apocrief/de analphabetische naam

Daarna ging het snel: de onbekende jongen die in 1949 zijn pakketje bij De Bezige Bij afleverde was drie jaar later uitgegroeid tot de onbetwiste voorman van een ophefmakende club jonge dichters, de Vijftigers. Zijn poëzie, die zo kort geleden nog voor gekkenwerk was gehouden, bleef onconventioneel, maar dat nam niet weg dat steeds meer lezers hun aanvankelijke weerzin overwonnen, omdat ze begrepen dat hier een jonge dichter stem probeerde te geven aan een generatie die in de Tweede Wereldoorlog volwassen was geworden. Een generatie die vond dat het allemaal helemaal anders moest. De dichters uit deze beweging (o.a. Remco Campert, Gerrit Kouwenaar, Jan Elburg, Simon Vinkenoog) verzetten zich tegen de oude normen en waarden die na de oorlog opnieuw gekoesterd werden, ook in de kunst. Zozeer week de poëzie van de dichters van Vijftig af van wat toen de norm was, dat veel lezers (onder wie de redacteur van De Bezige Bij) aanvankelijk niet inzagen waarom dit soort werk nog poëzie of literatuur genoemd kon worden.

Zoals het werk van - met de Vijftigers verwante en bevriende - COBRA-schilders Karel Appel en Corneille volgens veel critici slechts geklodder was, dat hen nog het meest deed denken aan de onhandige en onmachtige tekeningen van jonge kinderen of zwakbegaafden, zo werd de poëzie van de Vijftigers aanvankelijk vooral vergast op reacties van het type ‘dat kan mijn dochter van zeven ook’. Neem deze regels van Lucebert, die weinig hebben van de verheven taal die men vroeger voor poëzie gebruikte:

de dichter hij eet de tijd op
de beleefde tijd
de toekomende tijd
hij oordeelt niet maar deelt mede
van dat waarvan hij deelgenoot is

Een paar typische Vijftigers-kenmerken komen hier naar voren: het loslaten van interpunctie en grammatica, en van een vaste versvorm (zoals het sonnet bijvoorbeeld). In dit opzicht grijpen de Vijftigers terug op de historische avant-garde; ook zij propageren experimentele poëzie.

Het woord ‘experimenteel’ werd overigens door de Vijftigers van een bijzondere extra betekenis voorzien - een tweede kenmerk van hun opvattingen over literatuur. Wanneer zij hun eigen poëzie als ‘experimenteel’ typeerden, dan hadden zij daarbij het Engelse woord in gedachten waarvan ‘experiment’ is afgeleid: experience, ondervinding. Experimentele poëzie is voor de Vijftigers proefondervindelijke poëzie, wat betekent dat het in de poëzie eigenlijk draait om de ervaring opgedaan tijdens het dichten. Niet het product is het belangrijkst, maar wat men ervaart (ondervindt) bij het maken ervan. Eenvoudig gezegd: wanneer de Vijftiger een gedicht schrijft, doet hij dat niet omdat hij zo mooi, adequaat of helder mogelijk wil formuleren wat hij denkt of voelt. Wat hij denkt of voelt weet hij immers al. Waar hij benieuwd naar is, is wat er in het spontane scheppingsproces dat dichten voor hem is aan nieuws ontstaat.

Daarmee samen hangt het derde aspect, namelijk dat Vijftigers in hun poëzie streven naar spontaneïteit. In het hierboven geciteerde fragment is te zien dat na ‘beleefde tijd’ waarschijnlijk spontaan, vrij associërend ‘toekomende tijd’ volgde: in het dichten over de tijd kwamen de op school geleerde rijtjes wellicht bovendrijven. De spontaneïteit was zo belangrijk omdat in de oorlog gruwelijk duidelijk was geworden wat er gebeurt als je vastliggende constructies oplegt aan de werkelijkheid.

Als reactie daarop keren de Vijftigers zich tegen het rationele, zoals het denken in zwart-wit tegenstellingen (goed/slecht, geest/lichaam, goddelijk/aards) en de hiërarchie die zulke tegenstellingen aanbrengen. Ze willen dit soort denken juist doorbreken; voor hen staat het goddelijke niet boven het aardse, de geest niet boven het lichaam. De Vijftigers zien de poëzie als een bevrijdende kracht voor alle levensterreinen. Hun staat niet alleen een literaire omwenteling voor ogen, maar een totale reorganisatie van het leven en het bewustzijn.

Omslag van het tijdschrift Braak (jaargang 1, aflevering 4, augustus 1950) met een tekening van Lucebert. Braak was een belangrijk tijdschrift in de Beweging van Vijftig waar veel van de jonge dichters aan meewerkten.
Colofon van het gedicht ‘Driehoogballade’ van Simon Vinkenoog uit 1950, met een illustratie van Corneille. De Vijftigers werkten vaker samen met de schilders uit de Cobra-beweging, met wie zij zich verwant voelden.