literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Gedichten kunnen de buitenwereld beschrijven, of zij kunnen ‘autonoom’ zijn. Dan gaan ze vooral over de taal en de poëzie zelf. Ook een tussenweg is natuurlijk mogelijk. Dan beschrijft poëzie wel degelijk de realiteit, zonder de taligheid (de vorm) uit het oog te verliezen.

Anekdotiek versus autonomie: de poëzie van 1970-1980
Waar moet literatuur over gaan?

Die simpele vraag raakt de kern van veel van de debatten die er in de 20ste eeuw (en nu nog steeds) worden gevoerd over literatuur. Moet literatuur het dagelijks leven beschrijven, realistisch en anekdotisch zijn? Of gaat het in literatuur in de eerste plaats over taal en de (on)mogelijkheden daarvan, is zij talig en autonoom? Die kwestie is vooral in polemieken over poëzie de inzet geweest.

Rond 1970 publiceerden sommige tijdschriften vooral ‘anekdotische’ poëzie, anderen liever de zogenaamd ‘autonome’. Aan de titels van de bundels die in deze jaren verschenen kun je al bijna horen waar de dichter thuishoort. Rutger Kopland bijvoorbeeld schreef Alles op de fiets (1969), terwijl Hans Faverey een titel heeft als Gedichten I (1968). Het verschil wordt nog duidelijker als je begint te lezen. Kopland begint een gedicht bijvoorbeeld zo:

Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar

Hans Faverey daarentegen schreef regels als deze:

Soms, liefde/ geen

liefde- in de taalcentra
vriest het dat kraakt-

Als je dit gedichtje leest, merk je dat het over taal gaat. Tegelijk gaat het over liefde, of over ‘geen liefde’. Daaruit blijkt wel dat ook poëzie nooit helemaal ‘autonoom’ is. Toen hij 22 was, schreef Faverey een brief aan zijn vriendinnetje, die later zijn vrouw zou worden. Hij legde daarin uit wat voor hem belangrijk was: ‘where can I find absolute truth, pureness. (...) What is life, how can we show it, directly or indirectly’. Dat valt dus reuze mee met dat alleen talige: ook Faverey ging het om het leven zelf. Omgekeerd kon een ‘anekdotische’ dichter als Kopland ook gedichten schrijven waarin het vooral over taal ging.

Waarom veinst men dan in debatten dat de tegenstelling zo scherp is? Dat komt vooral de dichters die weer een nieuwe stroming willen beginnen goed uit. Door de standpunten van hun voorgangers te overdrijven, kunnen zij zich er beter tegen afzetten.

Die strategie hanteerden bijvoorbeeld de ‘Maximalen’. Zij zetten zich vooral af tegen de volgens hen ‘witte en stille’ gedichten die er door de talige dichters werd geschreven. In plaats van die minimale poëzie wilden zij ‘maximale’ - en ze noemden de bloemlezing waarin ze hun werk verzamelden dan ook Maximaal (1988). Deze Maximalen rekenden af met poëzie die gebukt ging onder ‘het juk van het grote niets’, zoals Joost Zwagerman het noemde. Zoals alle nieuwe stromingen maakten zij dus een karikatuur van het werk van hun voorgangers. Dichters moesten zichzelf niet langer reduceren tot ‘lispelende garde van de porseleinkast’, maar moesten de ‘muze de straat opjagen’- poëzie moest realistisch zijn. Maar voor deze ‘Maximalen’ was het ook van belang hoe een gedicht was geschreven: behalve het leven speelde ook het talige een grote rol. Net als bij alle dichters, dus eigenlijk.

Verder lezen
Een met de typmachine gemaakte tekst - typoscript - met wijzigingen, van Hans Faverey.
Omslag van de bloemlezing Maximaal: werk van 11 Nederlandse en Vlaamse dichters.