literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Het ‘huiskamerproza’ was heel herkenbaar. Daarnaast werden er postmoderne romans geschreven die juist sterk onrealistisch waren. De schrijvers willen laten zien dat wij alles in de wereld zelf hebben bedacht. Hun boeken en de personages daarin zijn dan ook nadrukkelijk onecht. En ze verwijzen liever naar weer andere boeken dan naar de realiteit.

Huiskamerproza versus het postmodernisme: proza 197col0-1990
‘Wij willen de lezer terugwinnen door leesbare teksten te schrijven (...). En wij willen, godbetert, door domme en slimme en bange en geile mensen gelezen worden’.

Dat staat in het ‘Manifest voor de jaren zeventig’, opgesteld door onder andere Heere Heeresma. Het soort literatuur waarvoor Heeresma en de zijnen pleitten, wordt ook wel ‘huiskamerproza’ genoemd: realistische, korte verhalen over het leven van alledag. Dat klinkt gemoedelijker dan het was. Heeresma bijvoorbeeld schreef weliswaar over burgermansfatsoen, maar vooral om er mee af te rekenen. Ook Simon Carmiggelt beschreef de ‘gewone mens’ (en dus ook zichzelf) met een dosis milde ironie. Dat de lezer daar prijs op stelde, bewees het succes van Carmiggelt, die voor zijn verhalende cursiefjes in Het Parool (de zogenaamde ‘Kronkels’) in 1978 de PC Hooftprijs kreeg. Voor die dagelijkse cursiefje vond Carmiggelt zijn stof op lange zwerftochten door de stad- met zijn lange regenjas was hij een bekende gestalte in de straten van Amsterdam. De mensen die zijn cursiefjes bevolkten kwam hij tegen in een winkel, in het café, of op een bankje waar hij zit te lezen:

Terwijl ik een blad omsloeg, kwamen twee dikke vrouwen, met volle boodschappentassen naast mij op de bank zitten. De een zei: ‘Hij was jarig, maar ik heb 'm móói niet gefeliciteerd, want toen m'n vader stierf heeft-ie ook niks laten horen.’ Ik las nog wat door, maar werd toch te sterk door hun bonte conversatie afgeleid. Kierkegaard schreef dan ook eens in zijn dagboek:‘Als ik mijn lust had gevolgd en had gedaan waar ik een uitgesproken talent voor heb - politie-spion - zou ik veel gelukkiger zijn dan ik tenslotte geworden ben.’ Zo is het. Schrijvers zijn ziekelijk nieuwsgierig naar alles wat ze niet aangaat.

Naast het herkenbare en vaak autobiografische proza van auteurs als Carmiggelt of ook Mensje van Keulen was er, vanaf de jaren zestig al, een tendens die wegvoerde van de ‘gewone’ lezer. Er verschenen romans en gedichten waarvan de betekenis zich niet één, twee, drie prijsgeeft. Deze sluiten aan bij een belangrijke, internationale stroming: het postmodernisme.

Het belangrijkste kenmerk is dat de tekst onthult dat ‘de’ werkelijkheid als zodanig niet bestaat. In plaats van één stabiele realiteit is de wereld opgebouwd uit de verhalen die we erover vertellen. En dan niet uit een Groot Verhaal, zoals dat van de bijbel, maar alle mogelijke verhalen die ook nog eens door elkaar lopen. Waar het de postmodernist om gaat, is te laten zien dat de wereld niet buiten ons bestaat, maar dat iedere logica of ordening daarin door ons is bedacht. In die zin is de wereld net zo onecht als de literatuur of de schilderkunst. Dat gegeven komt steeds terug in het werk van postmodernisten als Atte Jongstra, Willem Brakman of de Vlaming Peter Verhelst.

De onechtheid wordt in postmoderne romans dus niet meer verhuld, maar juist benadrukt, een tweede kenmerk. Daar sluit een derde kenmerk bij aan: postmoderne romanfiguren zijn geen ‘echte’ psychologisch uitgediepte personages, maar veranderen steeds van naam of van identiteit. In de boeken van Sybren Polet bijvoorbeeld komt steeds hetzelfde personage voor, Lokien, die met ieder beroep dat hij uitoefent een ander persoon wordt. Of het personage splitst zich op in twee of meer Lokiens.

Een laatste belangrijk kenmerk dat we hier bespreken (er zijn er nog wel meer) is dat van de intertekstualiteit. De gedachte is dat er geen vertellen bestaat dat niet in het spoor treedt van alle andere verhalen die al bestaan. Dat aspect wordt bijvoorbeeld duidelijk in het enorme oeuvre van Willem Brakman. In de 48 romans die hij schreef laat hij de wereld van de tekst steeds overlappen met de ‘echte’ wereld. Zijn personages kunnen bijvoorbeeld zo in of uit een schilderij stappen. Of Brakman laat iemand die alleen in literatuur bestaat, Don Quichot bijvoorbeeld, optreden in de wereld van zijn boek.

Zo noemt hij een van zijn romans Het zwart uit de mond van Madame Bovary (1974), verwijzend naar een van beroemdste romans ter wereld, Madame Bovary van de Franse schrijver Gustave Flaubert (1857). Maar een postmodernist als Brakman vertelt niet het verhaal gewoon na. De eigenschappen van de oorspronkelijke mevrouw Bovary worden op verschillende personages geprojecteerd, die vervolgens allemaal erg hun best doen om te ontsnappen aan het ‘scenario’ dat voor ze vast ligt. Tegelijk gaan ze op bezoek in het woonhuis van de negentiende-eeuwse schrijver en citeren ze voortdurend uit het boek, wetende dat ze zelf ook maar tekst zijn: ‘Je bent een slecht boek, zei ze, en ik heb het uit.’

Verder lezen
Simon Carmiggelt. Foto: Chris van Houts.