literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Steeds weer waren er kunstenaars die wilden afrekenen met hoge kunst. Omdat alles al een keer gezegd is, hoef je niet te proberen origineel te zijn. De tekst bestaat immers uit citaten van anderen. Daarom wordt de lezer net zo belangrijk als de schrijver zelf.

Alles is tekst: twee soorten postmodernisme
Het postmodernisme speelt niet alleen in de literatuur een rol.

Ongeveer alles is wel postmodern genoemd: het Centre Pompidou in Parijs, de jaren tachtig, ironie, de teloorgang van de Grote Verhalen, de commercial voor Centraal beheer, Madonna, HP/De Tijd, de babyboomers, de kamermuziek van Schnittke, Edwin van der Sar en de bril van mijn tante. Al vaak is opgemerkt dat de term naar zoveel verschillende dingen kan verwijzen dat hij bijna betekenisloos is geworden. Toch spreken we ook in de literatuur over postmodernisme. Wat bedoelen we dan? Eigenlijk twee dingen. We onderscheiden een ludieke en een intellectualistische variant.

De ludieke variant van het postmodernisme in de literatuur staat in het teken van de strijd van schrijvers en dichters tegen de hoge pretenties van het modernisme. Voor de modernistische schrijvers was literatuur een volstrekt ernstige zaak. Niet alleen gold literatuur voor hen – en voor veel van hun voorgangers - als een hogere cultuurvorm (waarmee de literatuur zich onderscheidde van de massacultuur), maar ook kenden zij aan literatuur een heilzame, beschavende werking toe. De auteurs die zich vanaf de jaren zestig beginnen te verzetten, hadden inspiratie opgedaan bij een kunstenaar als Marcel Duchamp, die al in het tweede decennium van de twintigste eeuw de gevestigde orde in de kunstwereld provoceerde door alledaagse voorwerpen als een fietswiel of een pisbak als kunstwerk tentoon te stellen. Iets vergelijkbaars, maar dan in de literatuur, deden Nederlandse dichters als J. Bernlef en K. Schippers door allerlei tekstjes als zogenaamde readymades in hun tijdschrift Barbarber op te nemen (boodschappenbriefjes, krantenknipsels, een schaakdiagram…).

Niet alleen de auteurs rond Barbarber, maar ook de zogenaamde ‘Zeventigers’ (Guus Luijters, Heere Heeresma, Mensje van Keulen), de dichtersbeweging van de ‘Maximalen’ (Joost Zwagerman, Pieter Boskma), de schrijvers rond de generatie Nix (Ronald Giphart, Rob van Erkelens) en de hedendaagse performancedichters probeerden of proberen welbewust af te rekenen met traditionele ‘hoogstaande’ literaire waarden. Ze treden buiten vastliggende kaders van goede smaak (bijvoorbeeld door hun onderwerpkeuze), nemen het niet zo nauw met de traditionele literaire genre-hiërarchie (ze gaan bijvoorbeeld net zoveel belang hechten aan hun columns als aan hun romans of poëzie) en breken met de traditionele vormen van literatuur (door bijvoorbeeld podiumperformances in de plaats te stellen van de boekpublicatie).

In Frankrijk ontstond sinds de jaren zestig, onder invloed van filosofen en tekstweten-schappers als Jacques Derrida, Roland Barthes en Julia Kristeva, een veel sterker literair-filosofisch ingevulde variant van het postmodernisme in de literatuur (de intellectualistische variant). Dit postmodernisme gelooft niet meer in de mogelijkheid van de schrijver om een ‘compleet’ wereldbeeld, een volledig wereldontwerp te geven in zijn teksten. De postmodernist ervaart zijn wereld als ten diepste verscheurd en gefragmenteerd. Daarin onderscheidt de postmoderne schrijver of dichter zich niet wezenlijk van het modernisme. Een essentieel verschil is echter dat het postmodernisme ook niet meer gelooft in het een leidend principe of ideaal waarop het bestaan is gefundeerd.

De postmoderne mens leeft niet meer met zo’n universele Idee op de achtergrond, maar met het besef van ‘allemaal delen van een geheel dat ontbreekt’, zoals de Vlaamse dichter Dirk van Bastelaere het uitdrukt in zijn postmoderne bundel Pornschlegel en andere gedichten (1988).

Postmoderne literaire teksten (van het intellectualistische type) geven blijk van een extreem besef dat de mens leeft in een talig universum. Dat is met betrekking tot het postmodernisme wel samengevat in de handzame regel: ‘Alles is tekst’ (naar Derrida’s ‘Il n’y a pas de hors-texte’). Die verwijst naar de onmogelijkheid een laatste conclusie over tekst en/of werkelijkheid te trekken zonder onvermijdelijk in woorden, onbeëindigbare tekst te vervallen. Grof gezegd: de tekst is nu de baas en niet meer de schrijver. Roland Barthes sprak in dat verband over de ‘dood van de auteur’. Hij stelde dat een tekst niet een aaneenrijging van woorden is die een eenduidige betekenis onthult (de ‘boodschap’ van de auteur), maar een meerdimensionale ruimte waarin allerlei schrijfsels – die geen van alle origineel zijn – zich mengen en botsen. De tekst is een weefsel van citaten.

Verwant aan deze opvatting over taligheid is de verwerping van de breed gangbare opvatting over de oorspronkelijkheid van het kunstwerk. In het taaluniversum is alles al een keer gezegd en de kunstenaar moet niet trachten iets nieuws te zeggen. Het gevolg hiervan is het welbewust gebruikmaken van citaten en ontleningen van andere schrijvers en (beeldend) kunstenaars. Postmoderne teksten kenmerken zich vaak door een overbewustzijn van hun kunstmatige karakter. De ‘kern’ of ‘essentie’ bestaat in de postmoderne tekst (proza of poëzie) niet uit een centrale gedachte maar waaiert uit over een netwerk van talloze tekstuele verwijzingen.

Auteurs die in het Nederlands taalgebied dit intellectualistisch postmodernisme vertegenwoordigen, zijn de dichters Erik Spinoy, Arjen Duinker en Peter Verhelst, en de prozaschrijvers Willem Brakman, Gerrit Krol en M. Februari.

Verder lezen