literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

In romans van de laatste jaren speelt de buitenwereld weer een rol. Maar of het nu gaat over terrorisme, dierenleed of oorlog, een duidelijke moraal wordt niet gegeven. Daarvoor zijn er teveel gezichtspunten. Tegelijk gaat het om de vraag wat het betekent om in een roman over zulke zaken te schrijven.

Terug naar de wereld: proza 1990-2009
Het is moeilijk om iets te zeggen over de literatuur die er nu geschreven wordt: we zitten er te dicht met ons neus op om een overheersende stroming te kunnen ontdekken.

Dingen die je van heel dichtbij ziet blijven vaak wazig. Dat geldt ook voor de literatuurgeschiedenis. Maar een paar tendensen kunnen wel worden waargenomen in de romans van de afgelopen decennia.

Sommige kenmerken van deze romans zijn een erfenis van het postmodernisme. Dat is inmiddels over zijn hoogtepunt heen, maar heeft wel wat sporen nagelaten in de literatuur.

Ten eerste zijn verteller, auteur en personages niet altijd zo streng gescheiden als bijvoorbeeld in de negentiende eeuw. De schrijver houdt zich lang niet altijd meer op veilige afstand van wat hij schrijft. Neem de romans van Arnon Grunberg: zijn hoofdpersonen zijn vaak ook schrijver, wonen in New York net als hijzelf, ze zijn joods. Net als Grunberg hebben ze ouders die in de Holocaust in een kamp gezeten hebben. Bovendien houden de personages zich bezig met de vraagstukken die in Grunbergs columns ook aan de orde zijn. Dat betekent niet dat Grunberg zuiver autobiografisch schrijft, maar wel dat hij zichzelf op het spel zet in die romans. Overigens betekent dat niet dat personages in het hedendaagse proza altijd een even vast omlijnde identiteit hebben: vaak weten ze niet precies wie ze zijn.

Dat gebrek aan vaste grond onder de voeten zie je terug in het volgende kenmerk: het onderscheid tussen de genres neemt af. Zo is het verschil tussen verzonnen verhalen (fictie) en ‘echt gebeurde’ (non-fictie) niet meer zo relevant.

Ten derde zul je vergeefs zoeken naar één centrale stem die iets verkondigt dat op ‘de waarheid’ lijkt. Meestal zijn er verschillende stemmen aan het woord, die verschillende visies op een zaak vertegenwoordigen, vaak zelfs tegenstrijdige visies. Dat betekent ook dat dit proza vaak geëngageerd is, maar zelden moralistisch. Schrijvers erkennen dat niemand de waarheid in pacht heeft, en proberen daarom alle mogelijke invalshoeken in kaart te brengen. Dat de recente romans niet strikt realistisch zijn, betekent dus niet dat de buitenwereld er geen rol in speelt. We lezen over asielzoekers en terroristische aanslagen bij Arnon Grunberg, over dierenactivisme bij Mutsaers, of over de tweede generatieproblematiek bij Hafid Bouazza. Het gaat daarbij altijd om vragen die de actualiteit overstijgen.

Want wat centraal lijkt te staan in deze ‘nieuwe’ realistische romans, is de vraag wat het betekent ergens over te schrijven, hoe je erover kunt schrijven, en wat het teweegbrengt als je ergens over schrijft. Zo komt Beck uit De asielzoeker "(2003) van Arnon Grunberg in de problemen omdat hij ooit een kort verhaal schreef over een bomaanslag, die jaren later daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Heeft de schrijver dan schuld? Hoeveel kan hij teweegbrengen in de wereld?

Dat er geen centrale stem is, betekent ook dat het minder belangrijk is wie de auteur van een tekst is. In plaats van dat een literair werk de creatie van één genie is, bestaat literatuur nu soms uit collages van allerlei bestaande teksten; dat noemen we intertekstualiteit. Dat kunnen hoogstaande citaten van klassieke schrijvers zijn, maar net zo goed liedjes, spreekwoorden of krantenartikelen.

Een vijfde kenmerk ten slotte heeft meer met de vorm te maken: weinig romans worden nog helemaal lineair verteld. Chronologische verhalen met een kop en een staart hebben plaatsgemaakt voor verhalen die af en toe terugspringen in de tijd, via flashbacks of herinneringen. Dat kan nog versterkt worden doordat je met verschillende personages ‘meekijkt’.

Een roman waarin een aantal van deze kenmerken terugkomt is De wandelaar van Adriaan van Dis. Niet alleen heeft de hoofdpersoon erg veel gemeen met Van Dis zelf, hij draagt ook de meisjesnaam van de moeder van de auteur: Mulder. Tegelijk is zijn identiteit nog onbepaald- hij lijkt pas te ontstaan in zijn ontmoetingen met anderen. En die zijn er veelvuldig in De wandelaar. Mulder wordt gedwongen om uit zijn mooie Parijse appartement de straat op te gaan en zich te verhouden tot de Ander: en dan vooral de rechtenloze immigranten waar hij zich tot op dat moment weinig van had aangetrokken. Eenmaal uit zijn elitaire isolement ontdekt hij een Parijs dat hij niet kende, in torenflats en benauwde zolderkamertjes. De smerigheid waarmee Mulders voorheen zo smetteloze leven besmet raakt, valt met alle boenwas van de wereld niet meer weg te poetsen. Dat geldt ook voor de dreigende voorspelling die een Afrikaan hem doet, dat er ‘een razende storm’ van immigranten over Europa zal woeden. Hoewel hij het probeert, blijkt Mulder niet veel te kunnen doen voor zijn dolende medemens. Het enige wat overblijft is ‘jezelf tekort doen zonder een ander tekort te doen’. Één ding is wel veranderd na zijn helletocht: hij staat middenin de wereld en kan de anderen niet meer negeren: ‘Hij liep alleen en zag en rook alles’.

Misschien kunnen we Mulder als symbool zien voor de hedendaagse Nederlandse roman zelf. Antwoorden bieden ze niet, maar ze stellen wel een heleboel vragen over ethische kwesties.

Verder lezen
Omslag van Tirza (2006) van Arnon Grunberg.
Een banlieu (voorstad) van Parijs.
Adriaan van Dis. Foto: Chris van Houts.