literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Er komen steeds meer Nederlandstalige schrijvers die niet in Nederland of Vlaanderen geboren zijn. Of wier ouders hier niet geboren zijn. In hun werk kan het gaan over wat ‘thuis’ dan nog betekent. Of over identiteit: wordt die bepaald door je afkomst, of door de cultuur waarin je woont?

Oude en nieuwe Nederlanders: immigrantenliteratuur
Hij las eerst Jip en Janneke om het Nederlands meester te worden, en begon toen romans te schrijven.

Kader Abdolah, in 1985 gevlucht uit Iran voor het bewind van de ayatollahs, beschrijft hoe moeilijk het is om voet aan de grond te krijgen in een nieuw land en een compleet andere cultuur. Bovendien kan hij als politiek vluchteling niet terug, zelfs niet wanneer zijn vader is gestorven en hij die zou willen begraven: ‘Wie wegvlucht, laat alles achter. Er is dus geen vader, geen bed, geen dode.’

In Abdolahs boeken komen veel aspecten terug die in andere immigrantenliteratuur ook een rol spelen. Bijvoorbeeld de vraag naar de rol van de identiteit en die van locatie. Identiteit, omdat de confrontatie met de nieuwe cultuur de vraag oproept wat die eigenlijk inhoudt. Wie ben je als je geen inbedding meer hebt in je eigen taal en je familie? Als het geloof waarmee je opgevoed bent zo anders is dan wat de mensen om je heen geloven?

Vooral voor nieuwe Nederlandse auteurs met een buitenlandse achtergrond zijn vragen naar identiteit uiteraard belangrijk. De dichter Mustafa Stitou bijvoorbeeld onderzoekt in zijn gedichten wie hij is en hoe hij zich verhoudt tot de Marokkaanse cultuur van zijn vader. ‘ik ben de jonge Marokkaan en zijn anderstalige gedachten,’ schrijft hij, meteen spelend met wat lezers en recensenten van hem zullen verwachten. Tegelijk onderscheidt zijn zoektocht naar wie hij is en wat het betekent ‘ik’ te zeggen, zich niet per se van die van zijn autochtone generatiegenoten. Wat in deze literatuur op verschillende manieren wordt benadrukt, is dat een identiteit, bijvoorbeeld een nationale, niet iets is dat ‘van nature’ bestaat. Het gaat bij identiteiten om beeldvorming die nauwkeurig is geregisseerd en om officiële documenten die aan een loket worden verstrekt of ingetrokken. Mensenwerk, dus.

Een tweede aspect van immigrantenliteratuur is ‘locatie’. Dat is zo belangrijk omdat je je kunt afvragen wat ‘thuis’ eigenlijk betekent. Is dat je oude land, dat vaak niet meer in die vorm bestaat omdat er bijvoorbeeld oorlog is of een nieuw regime, of je nieuwbouwhuis in Zwolle, waar je de buren niet verstaat? Hafid Bouazza speelt met deze vragen in zijn roman Paravion (2003). Dat boek speelt in een ver land, vermoedelijk Marokko, en ook in Amsterdam. Bij Bouazza echter nemen die twee plaatsen elkaars eigenschappen aan. Het Amsterdamse koffiehuis is een islamitisch bolwerk, terwijl het dorpje in Marokko een seksuele vrijplaats is geworden.

Dit alles beschrijft hij in een barok Nederlands vol prachtige woorden waarvan de autochtone Nederlanders het bestaan allang vergeten waren. Bouazza’s sensuele romans zijn door hun taal en hun thematiek onvergelijkbaar met Abdolah’s romans. Daarin gaat het immers over politiek en ballingschap, en wel in een heel eenvoudige taal. Zo blijkt dat dé immigrantenliteratuur helemaal niet bestaat.

Het is slechts een term die handig kan zijn om bepaalde kenmerken (bijvoorbeeld de thema’s identiteit en locatie) op het spoor te komen, en daarna weer zo snel mogelijk te vergeten.

Verder lezen
Kader Abdolah. Foto: Chris van Houts.
Akar is de geboortestad van Kader Abdolah, pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami.