literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Het verdriet van België
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Het verdriet van België
Hugo Claus, 1983

In Het verdriet van België, voor velen Claus’ allerbeste boek en voor sommigen zelfs de grootste Nederlandstalige roman van de twintigste eeuw, volgen we het leven van de jonge Louis Seynave en zijn familie in de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw. Claus beschrijft een gemeenschap van Kortrijkse Vlamingen. Politiek geïnteresseerd zijn zij niet; hun principes zijn te herleiden tot de zorg voor hun eigen, kleine materiële behoeften. In alles zien zij een bedreiging voor hun toch al geringe welvaart. Zoals Louis en zijn klasgenoten op kostschool de ‘zonde’ hebben leren vrezen, zo vrezen hun ouders de socialisten, de joden, de vrijmetselaars en de kunstenaars als ketters en duivels.

Claus' familieroman is, onder veel meer, een studie in alledaagse collaboratie. Hoe tragisch dicht collaboratie en verzet in deze periode en in dit milieu bij elkaar lagen, toont een passage als deze:

De tijden zijn slecht, zegt de radio, zeggen de gazetten. Nee, het verbetert er niet op, contrarie.
Een vliegmachine met twee Duitse officieren die zo lamdronken zijn dat zij de Maas aanzien voor de Rijn landt recht in de fietsen van onze 13de Divisie. De officieren krijgen muilperen tot zij ontnuchterd zijn en worden dan ondervraagd, carbure-lampen in hun gezicht, derde graadsondervraging, gij liever dan ik.
Zij antwoorden beleefd, die officieren, maar in één keer springt die Duitse majoor overeind en smijt een bundeltje papieren dat hij op zijn hart droeg in de brandende kachel. Onze Belgische commandant vliegt naar de kachel, verbrandt lelijk zijn hand, ook derde graad, maar hij kan dat Duitse papier toch uit de vlammen frommelen. Wat staat er nog te lezen op die verschoeperde bladzijden? Dat de Tweede Duitse luchtvloot België, Holland en Noord-Frankrijk zal aanvallen, dat er parachutisten zullen landen, bruggen over de Maas bezetten, etcetera, etcetera.
‘En wanneer?’
‘Dat stond er niet bij geschreven.’
De radio knettert van ´t slechte nieuws. Ook uit de streken waarover ge nooit iets hoort. Uit Canada bijvoorbeeld, dat zijn troepen ongegeneerd laat landen in de Engelse havens, dat uit zijn eigen schatkist 55 miljoen pond lost voor een oorlogslening aan den Engelsman, rekent dat eens uit in Belgische franks.
‘Maar waarom zouden Duitsers bij ons binnenvallen, nu een keer serieus? Zij zijn toch niet helemaal onnozel. Zij zouden heel hun front dat nu schoon opeen getast ligt tegenover de Franse grens, kilometers en kilometers moeten uitrekken. En het front van de Geallieerden zou dan extra-versterkt worden met ons Belgisch materiaal en onze Belgische manschappen. En iets anders, pardon Gaston, doen de Duitsers op het moment geen goeie zaken met ons? Om maar iets te noemen, die tienduizend treinwagons die we hun zo rap mogelijk moeten leveren, zij zitten d´r om te springen. Affaires gaan voor, Isidoor.’

Bij alles wat de generatie van Louis’ ouders vreest, onderkennen ze juist het Duitse gevaar nauwelijks. Het wordt, evenals het socialisme, weliswaar door een aantal personages als een bedreiging gezien, maar de redenen die men daarvoor heeft, geven blijk van onwetendheid. Zo houdt zuster Kris, een van de nonnen in Louis’ internaat, Hitler voor gevaarlijk omdat hij niet katholiek is. Andere Kortrijkenaren schuiven ook dit bezwaar terzijde, en zijn gefascineerd door de daadkracht en de buiten-politieke bombast die Hitler de wereld voorschotelde.

Veel Vlamingen heulden in de jaren '40-'44 met de bezetter, niet omdat ze geboren fascisten waren, maar omdat ze in de Duitsers de kampioenen van de Groot-Dietse gedachte zagen. En die gedachte hield een mooie belofte in voor de Vlamingen. Politiek Brussel, het bankwezen, het bedrijfsleven, kortom: de invloedrijke instanties ─ ook in Vlaanderen ─ waren toen Franstalig. Duitse bemoeienis met de op Frankrijk georiënteerde Belgische politiek, zo dachten velen, zou de Vlaamse emancipatiestrijd een gunstige wending kunnen geven.

Claus beschrijft de vuile handen van de familie Seynaeve vanuit het perspectief van een puber die, na een verstikkende lagere-schooltijd op een nonneninternaat, rommelend (en onder het uit de operette geleende motto ‘Toujours sourire, le coeur douloureux’) de oorlog doorkomt en in 1947 zijn eerste succes als schrijver beleeft. Het verdriet van België is te lezen als een meedogenloze afrekening met de Vlaamse hypocrisie en de katholieke kleinburgerlijkheid.

Verder lezen
omslag van Het verdriet van België.