literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
Autobiografie en literatuur

Ongegeneerd beschreef Connie Palmen in IM de liefdesrelatie die ze met de bekende en gevreesde journalist Ischa Meijer (1943-1995) had gehad. Seks, drank, en tranen: het kwam allemaal aan de orde in deze exhibitionistische roman, die tegelijk een eerbetoon moest zijn aan de plotseling overleden Meijer. IM, verschenen in 1998, leidde tot veel verontwaardiging en bovendien tot een discussie over de grens tussen autobiografie en fictie; de term ‘autofictie’ is in die tijd gemunt. Waarom moeten wij dit allemaal weten? vroegen gegeneerde lezers zich af bij de intieme scènes.

Toch was Palmen niet de eerste in Nederland die haar persoonlijk leven tot literatuur maakte. Een paar jaar eerder was J.J. Voskuil begonnen aan zijn grote cyclus Het bureau, waarin hij zijn dagelijks leven en werk aan een wetenschappelijk onderzoeks-instituut zó waanzinnig gedetailleerd beschrijft, dat je als lezer ofwel meteen afhaakt, of voor duizenden pagina’s verslingerd bent.

Maar Palmen en Voskuil zijn uitzonderingen. Verreweg de meeste autobiografische literatuur gaat over de jeugd van de schrijver, of over zijn ouders. Waarbij een goede roman dat persoonlijke relaas weet te ontstijgen. Romans als Asbestemming van A.F.Th. van der Heijden of Gesloten Huis (beide 1994) van Nicolaas Matsier bijvoorbeeld kun je niet alleen lezen als boeken over de kindertijd, maar ook als de beschrijving van een tijdperk dat voorbijging. Met nostalgie, en soms met weerzin beschrijven dergelijke auteurs hun verleden, en de wereld van hun ouders, tijdens de wederopbouw net na WO II.

Er zijn ook schrijvers die benadrukken dat voor hen het ‘echte leven’ niet per se vóór het verhaal erover komt. Je zou zelfs kunnen zeggen dat sommige schrijvers de dingen beleven óm ze op te kunnen schrijven: ‘ik besta niet zonder de boeken die ik schrijf’, stelde Jeroen Brouwers bijvoorbeeld. Leven en levensbeschrijving staan soms zelfs in een omgekeerde verhouding. L.H. Wiener schrijft in zijn roman Nestor: ‘het enige herkenbare resultaat dat mijn literaire arbeid voor mij heeft gehad is dat mijn leven zich goeddeels heeft ontrold volgens het scenario dat ik eerder in mijn werk had verzonnen.’

Kun je persoonlijke ervaringen in woorden vangen, en wat is het effect daarvan? P.F. Thomése ging in op die vraag in Schaduwkind (2003), dat hij schreef nadat zijn eerste kind stierf, zes weken oud. Het gaat hem er nadrukkelijk niet om iets te verwerken, en nog minder om de lezer te ontroeren (wat natuurlijk wel gebeurt), maar om te onderzoeken wat taal hier kan uitrichten.

Daarnaast is er dus de groep schrijvers die het eigen leven directer tot onderwerp van hun boeken maken. Wellicht onder invloed van de openbaarheid van privé-ervaringen op de televisie en op internet zijn ook hun boeken intiemer geworden dan men tot voor kort van de literatuur gewend was. De hierboven genoemde Connie Palmen is daar het bekendste voorbeeld van.

De kritiek op deze werken luidt meestal dat ze te veel inspelen op de eisen van het grote publiek. Lezen wordt dan eerder een zaak van herkenning, inleving of voyeurisme dan van een confrontatie met ‘het andere’. En daarmee, vinden de critici, wordt de commercialisering van de literatuur in de hand gewerkt.

Er is, ten slotte, ook nog een grote groep schrijvers die wel fictie schrijven, maar die niet onder stoelen of banken steken hoe nauw de band is tussen hun boeken en hun eigen levens. Alleen, zij vinden het niet nodig dat ieder feit herleidbaar is tot de werkelijkheid. Tot die groep kun je Arnon Grunberg rekenen, of in Vlaanderen Dimitri Verhulst. Ook Charlotte Mutsaers schrijft in principe teksten die dicht bij haar eigen leven blijven. Zij benadrukt dan dat het niet gaat om gebeurtenissen, maar om gevoelens. Voor haar lijkt het zelfs een voorwaarde voor literatuur te zijn: ‘Wie voor fictie kiest, zal stapje voor stapje de logica van zijn gevoel dienen op te sporen, want wat is fictie anders dan dan een soort autobiografie van het gevoel. Zonder behoefte aan zelfkennis heeft het geen zin om fictie te schrijven.’

Verder lezen