literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
Woord en beeld

De eerste reclame-affiches verschenen in de negentiende eeuw. Veel dichters stonden paf van wat zij zagen. Zij raakten geïnspireerd door de nieuwe mogelijkheden van de moderne drukpers en gingen experimenteren met verschillende lettertypes, kleuren en vormen van woorden.

De avant-gardisten zochten naar nieuwe mogelijkheden om de taal dichter bij de werkelijkheid te brengen. Dat kon door het woord en het woordbeeld op elkaar te doen lijken. Bijvoorbeeld Boem paukeslag in Van Ostaijens gedicht ‘Bezette stad’.

In de twintigste eeuw vonden de dichters en prozaïsten van de jaren ’60 ook dat literatuur zo dicht mogelijk bij het échte leven moest staan, en daar zelfs mee moest overlappen. Zo nam K. Schippers onder de titel ‘Een zaterdag in Cork’ vijftien foto’s van een horloge op, waarop je een minuut of tien ziet verstrijken. Aan dat ‘gedicht’ komen geen woorden meer te pas. Het zit de werkelijkheid heel dicht op de huid, en ook de grens tussen literatuur en beeldende kunst is opgeheven.

Schrijvers en dichters in de twintigste eeuw lijken soms jaloers op het woordeloze, abstracte materiaal van de beeldend kunstenaar. In een kunstwerk kon de voorstelling immers belichaamd worden, in een tekst of een gedicht is er altijd de tussenkomst van de taal. En die brengt nu eenmaal allerlei betekenissen met zich mee. Een dichter als Simon Vestdijk hoopte dat zijn gedichten óver beeldende kunst eenzelfde mate van ‘plasticiteit’ (beeldende kracht) zouden krijgen als een schilderij of een beeldhouwwerk.

In de twintigste eeuw werden ook foto’s vaak gecombineerd met gedichten, bijvoorbeeld bij dichters als Eva Gerlach of Dirk van Bastelaere. Sommige auteurs maakten hun eigen beeldende werk; zij zijn zogenaamde dubbeltalenten. Lucebert is één van hen, net als Hugo Claus en Charlotte Mutsaers.

Er is nog een groot verschil tussen beeldende kunst en literatuur: een tekst is altijd temporeel want hij loopt door zolang je leest, terwijl een kunstwerk stilstaat in de tijd, ruimtelijk is. Daarom schreef Hans Faverey bewonderend over het werk van Adriaen Coorte. In diens stillevens kon de tijd echt even worden stilgezet: hij beeldde fruit en insecten af ‘op de rand van het bederf’.

Maar dat onderscheid is door de digitalisering en door internet op zijn kop gezet. Digitale poëzie kan veel ruimtelijker zijn dan gewone poëzie en kan geïntegreerd worden in foto’s en filmpjes. Ook zonder dat kunnen deze gedichten beeldend worden, door te bewegen over het scherm in een mengeling van choreografie en typografie.

Deze poëzie is geen geschreven object, maar is vormgegeven als een filmpje. Dat is het cruciale verschil. Sommige dichters benadrukken dat zelfs door programmeringscodes in het gedicht op te nemen.

Sommige van de digitale poëzie vertoont ook grote aandacht voor typografie en woordbeeld, en lijkt dus op de avant-gardistische poëzie waarmee het allemaal begon. Het materiaal van de woorden is weer belangrijker dan hun boodschap; de vorm wint het van de inhoud. Zodat je in deze internet-poëzie grote letters ziet, kleine, gekleurde, trillende, vervagende, geschilderde, maar zelden gewone. Dat doet niet alleen aan de avant-garde denken, maar ook aan de concrete poëzie van de Zestigers, waarin de vorm net zo veelzeggend was als de inhoud Je zou kunnen zeggen dat de visuele poëzie een grote hink-stap-sprong heeft gemaakt, van de jaren ’20 naar de jaren ‘60 naar het nu, waarin zij misschien haar vervolmaking zal vinden.

Net als toen is het nu belangrijk dat de vertrouwde kaders zijn verdwenen. Niet alleen het wit van de pagina, maar ook de omslag van de bundel, de uitgever, de recensenten, de boekwinkels: er is korte metten mee gemaakt. Het enige dat rest is de rand van het beeldscherm, maar die doet er weinig toe, aangezien de teksten langsrollen als een film.

Verder lezen