literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Gerbrand Adriaanszoon Bredero - rusteloze Amsterdammer
Amsterdam 16 maart 1585 - Amsterdam 23 augustus 1618

Van de zeventiende-eeuwse dichters die de liefde bezongen, is Bredero de bekendste. Dat wil niet zeggen dat alles wat over hem verteld wordt waar is. Integendeel.

Uit Bredero's gedichten rijst op het eerste gezicht het beeld op van een vrolijke Frans en een ongelukkige minnaar die nachtenlang door Amsterdam zwalkte. Hij schreef ook religieuze gedichten en daaruit werd geconcludeerd dat hij tegen het einde van zijn korte leven, onder invloed van ziekte, tot inkeer gekomen en diepgelovig geworden was. Maar dit radicale beeld van Bredero’s leven is een verzinsel uit latere tijd. In werkelijkheid kende Bredero de voorschriften voor de kunst uit zijn tijd heel goed. De reden waarom zijn gedichten zo direct overkomen is dat hij barstte van het talent: het lijkt net of de gebeurtenissen en gevoelens echt zijn.

Bredero’s verzamelde gedichten werden in 1622, vier jaar na zijn dood, uitgegeven door de Amsterdamse uitgever Cornelis Lodewijkszoon van der Plasse. De bundel kreeg de titel Groot lied-boeck en bevatte drie onderdelen: boertige (grappige), amoureuze (liefdes-) en aandachtige (godsdienstige) liederen. Uit de amoureuze afdeling komt bijvoorbeeld het lied waarin een eenzame minnaar ’s nachts over de straat zwerft:

s Nachts rusten meest de dieren
Op de wijze: Wellustige jongelingen

*
’s Nachts rusten meest de dieren,
ook mensen goed en kwaad,
en mijn lief goedertieren
is in een stille staat,
maar ik moet eenzaam zwieren
en kruisen hier de straat.

*
Ik zie het zwerk drijven,
ik zie de klare maan,
ik zie dat ik moet blijven
alleen mistroostig staan.
Ach lief, wil mij gerijven
met troostelijk vermaan.

Ach Lelie, hoog verheven,
verheven in mijn zin,
mijn hope van mijn leven,
gewenste, schoon vriendin,
wil mij nu jonstig geven
een lieve wedermin.

Met hoop en vrees bevangen,
met een gestage strijd
van zorgen en verlangen
verwacht ik nu ter tijd
van u, mijn troost, t’ ontvangen
’t woord, waar men lang om vrijt.

*
Adieu, prinsesje jeugelijk,
mijn vrouw van mijn gemoed,
adieu en droom geneugelijk
en slaap gerust en zoet.
Ach, ’t is mij zo onmeugelijk
te rusten als gij doet.

Bredero was een tijd verliefd op Tesselschade Visscher. Misschien is zij de slapende vriendin uit deze strofen, maar het kan net zo goed iemand anders zijn of zelfs alleen maar een ingebeelde liefde. Het motief van de teleurgestelde minnaar die ’s nachts geen rust kan vinden, komt uit het petrarkisme. In die literaire stroming komen wanhopige minnaars zo vaak voor dat dit liedje niet autobiografisch hoeft te zijn. Ook de liederen die Bredero schreef over ‘Margriete’ gaan niet over een echte vriendin: de dichter vertaalde ze uit Franse teksten over ene ‘Marguerite’.

Vooral in de twintigste eeuw wemelde het van theorieën over Bredero’s leven. Doordat er weinig archiefgegevens over hem zijn, werden de veronderstellingen aanvankelijk nauwelijks weersproken. Uit het gedicht Breero van H. Marsman (1933) en uit De dolle vaandrig. Roman van Breero’s leven van A.M. de Jong (geschreven in 1943, verschenen in 1947) komt hij naar voren als een losbol en een schuinsmarcheerder, die het liefst met boeren en hoeren in de kroeg zat, totdat hij verliefd werd op onbereikbare meisjes. De liefde zou zijn geest op hogere zaken hebben gericht, zeker toen hij een paar maanden voor zijn dood door het ijs zakte en ziek werd. In zijn laatste levensfase, zo dacht men tenminste eerst, berustte hij in zijn naderende dood en schreef hij vrome, religieuze lyriek.

Tegenwoordig denkt men er anders over. We weten nu dat Bredero’s gedichten niet na elkaar, maar tegelijkertijd, door elkaar heen zijn geschreven. Uitgever Van der Plasse heeft na Bredero’s dood zijn liederen gerangschikt per categorie: boertig, amoureus en aandachtig. Dat deed hij niet omdat dat opeenvolgende fasen in Bredero’s leven waren, maar omdat liedboeken toen altijd uit drie delen bestonden. Die waren dezelfde als het verloop van een muziekavondje: je begon met vrolijke, onbekommerde teksten, ging daarna over op de liefde om af te sluiten met de godsdienst. In de vroege twintigste eeuw was men niet meer op de hoogte van die gewoonte, en beschouwde men Van der Plasses indeling als biografische informatie over Bredero.

Wat is er over Bredero wèl bekend? Hij woonde met zijn ouders in Amsterdam in de Nes, ging niet naar de Latijnse school en studeerde voor kunstschilder. In Amsterdam was hij belastingambtenaar en vaandrig van de schutterij. Hij begon al vroeg te schrijven en werd lid van de rederijkerskamer D’Eglentier. Na een tijdje wilde hij echter meer bewegingsvrijheid en richtte hij samen met zijn vrienden Pieter Hooft en Samuel Coster in 1617 een nieuwe toneelvereniging annex school op: De Nederduytsche Academie. Hij had er succes met zijn toneelstukken, die voor het merendeel spelen onder gewone mensen in en om Amsterdam, zoals De klucht van de koe , De klucht van de molenaer en de komedie Spaanschen Brabander. Hij had een scherp oog voor het gedrag van zijn stadgenoten en kon hen prachtig typeren met verschillende soorten taalgebruik.

Dat hij besefte hoe wisselvallig het leven is, blijkt uit zijn lijfspreuk ’t Kan verkeren (veranderen). Hij waarschuwde voor de bedrieglijkheid van uiterlijke schijn: ‘Al ziet men de lui, men kent ze niet’. Bovenal is hij trots geweest op zijn geboortestad, die tijdens zijn leven tot grote bloei kwam, want hij gebruikte zijn afkomst als eretitel: ‘Gerbrand Adriaenszoon Bredero, Amsterdammer’.

Verder lezen
Wie is Bredero? De gravure links geeft zijn portret, maar lang werd gedacht dat hij ook op het portret rechts was afgebeeld. Dat was echter de schilder Bailly (door J.P. de Frey).
Omslag van een bekende roman over Bredero: De dolle vaandrig van A.M. de Jong, verschenen in 1947. In dit boek werd Bredero getekend als hartstochtelijke rokkenjager.
De vaandrig (vlaggendrager) was een gevaarlijke functie bij de schutters (de bewapende burgerij). Hij moest de vlag verdedigen, desnoods met zijn leven. Een vaandrig moest sterk, jong en vrijgezel zijn. Hij was altijd herkenbaar aan zijn opvallende kleding. Bredero was een tijd vaandrig bij de Amsterdamse schutterij.