literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Jacobus Bellamy
Vlissingen 1757 - Utrecht 1786

...Van bakkersknecht tot een van de populairste dichters van Nederland, dat is het succesverhaal van Jacobus Bellamy. Lang heeft Bellamy niet van zijn succes kunnen genieten, want hij stierf als student, slechts achtentwintig jaar oud. Daardoor bleef hem een loopbaan als predikant bespaard - Bellamy studeerde met grote tegenzin theologie – maar verloor Nederland een veelbelovend literair talent.

Bellamy’s passie was de literatuur. Hij deed niets liever dan schrijven. Zijn proza - bijdragen aan tijdschriften, brieven - fonkelt nog altijd. Maar hij werd beroemd met zijn poëzie. Gezangen mijner jeugd (1782), Vaderlandsche gezangen van Zelandus (1782-1783) en Gezangen (1785) staan vol met gedichten waarin Bellamy ‘de taal van ’t hart’ spreekt, zoals hijzelf zei.

Dat hart ontvlamde door de liefde en de politiek. Bellamy was eeuwig verliefd, op zijn vriendin Fransje, Francina Baane, het meisje met wie hij van haar moeder niet mocht trouwen en dat in het anoniem gepubliceerde Gezangen mijner jeugd optreedt onder de naam Fillis:

“Je bent toch altijd lastig!
“Je wilt voortdurend kussen!
“Wat moet toch al dat kussen!
“Wat wil dat toch betekenen?
Zo sprak mijn mooie Fillis,
En keek met donkere ogen,
En wendde haar hoofd opzij.

Toen Bellamy in maart 1782 vanuit Vlissingen vertrok om in Utrecht te studeren, miste hij Fransje meer dan ooit, maar vond hij ook een nieuwe liefde: de politiek. De uit een zeer eenvoudig Vlissings milieu afkomstige dichter had vanaf zijn twaalfde als bakkersknecht gewerkt en wist als geen ander hoe weinig rechten het volk had. In Utrecht, patriottenstad bij uitstek, werd hij een politiek activist. Bellamy publiceerde onder het pseudoniem Zelandus Vaderlandsche gezangen (1782/’83): politieke gedichten die hem tot een nationale beroemdheid maakten en tot dé literaire propagandist van de patriotten. Net als veel andere Nederlanders wilde Bellamy een radicale, politieke omwenteling. Hij haatte de Engelsen, die een oorlog tegen Nederland waren begonnen, was vol bewondering voor de vrijheidsstrijders in Amerika (die tegen de Engelsen vochten) en overwoog zelfs om zich aan te melden bij het Amerikaanse leger.

Ondertussen leed de dichter hevig aan jicht, had hij amper geld, veel kiespijn en miste hij zijn geliefde. Vaak was hij depressief. Zijn geest had ‘eene sterkere neiging tot het sombere en ernstige’, zoals hij zelf in een brief schrijft. Maar met de dichtkunst ging het uitstekend. Hij was lid van het genootschap ‘Dulces ante monia musae’ (Lieflijk boven alles zijn de muzen), het middelpunt van een gezelschap van ‘genialische vrienden’ waar men gedichten schreef zonder rijm: iets nieuws. Van het Haagse dichtgenootschap ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’ was Bellamy zeven jaar lid, tot 1784. Toen verliet hij het genootschap, vermoedelijk niet alleen omdat hij zich ergerde aan de kritiek op zijn gedichten, maar ook omdat het dichtgenootschap orangistisch was. In 1785 verscheen Bellamy’s laatste dichtbundel Gezangen, voor het eerst onder eigen naam.

Bellamy was een vernieuwer. Hij stond zeer kritisch tegenover de eigentijdse Nederlandse literatuur. Zijn tijdschrift Poëtische spectator (1783-’86) is het eerste moderne literaire tijdschrift waarin ongezouten kritiek wordt geleverd op nieuw verschenen literair werk, iets wat tot dan toe ongekend was. Recensies bestonden in de achttiende eeuw voornamelijk uit neutrale samenvattingen van een werk omdat men bang was de schrijver te beledigen. Bellamy – en na hem Johannes Kinker – waren minder bang en brachten daarin verandering.

Op 11 maart 1786 stierf Bellamy onverwacht. De dames Wolff en Deken vingen Fransje op die van juni tot oktober bij hen op Lommerlust logeerde. Bellamy’s gedichten verschenen in 1790 en 1791 in het Duits. In de eerste decennia van de negentiende eeuw werden enkele van zijn gedichten vertaald in het Engels, Frans en Italiaans.

Verder lezen
Bellamy begon al op veertien- of vijftienjarige leeftijd te dichten .
Inspiratie voor elke patriot: Bellamy’s Vaderlandsche gezangen van Zelandus .