literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Rhijnvis Feith
Zwolle 1753 - Zwolle 1824

De meest gevoelvolle man van Nederland? Rhijnvis Feith is de literatuurgeschiedenis ingegaan als dé vertegenwoordiger van het sentimentalisme. Dit ook dankzij collega-dichters als Jacobus Bellamy en Johannes Kinker, die gruwden van het sentimentalisme van Feith en er de spot mee dreven in hun literaire tijdschriften. Maar de lezers verslonden romans als Julia (1783), Ferdinand en Constantia (1785) en de reeks elegieën Fanny (1787) en beschouwden Feith als de onbetwistbare meester van gevoelig proza en sensitieve poëzie. Toch was sentimentele literatuur slechts een korte fase in Feiths dichterschap.

Feith, jurist, vrijmetselaar, politicus en vader van negen kinderen, was bepaald een allesvreter. Hij was bijvoorbeeld zeer actief in literaire genootschappen. Daar was hij niet bezig met literaire experimenten maar met het promoten van vaderlandsliefde. Toen hij bij het Leidse dichtgenootschap in 1785 een gouden en zilveren medaille won met een prijsvraag over Michiel de Ruyter, nationale held bij uitstek, weigerde Feith zijn prijzen. Want om roem was het hem niet te doen geweest, het vaderland ging hem ter harte:

Maar ik zong voor het vaderland --- behoudt uw pronkmetaal!
Mijn kunst zal in de roem van mijn zeeheld delen,
En reeds ontving ik het goud in deze zelfde zaal.

Feith was patriot en om de lezer te overtuigen van zijn politieke gelijk gebruikte hij voortdurend de literatuur. In zijn toneelstuk De Patriotten (1785) en het spectatoriale tijdschrift De Vriend van 't Vaderland (1787) probeerde hij te laten zien dat het land beter af zou zijn zonder stadhouder en met een gekozen regering. Toen Feith tijdens de revolutie in 1787 zélf werd gekozen als een van de nieuwe burgemeesters van het anti-stadhouderlijke Zwolle, kon hij zijn geluk niet op. Maar een klein jaar later draaide de orangistische contra-revolutie alles terug en belandde Feith in een diepe depressie: 'ik ben niet meer die ik was'. Hij wilde niets meer met de politiek te maken hebben en het dichten lukte nauwelijks nog. Feith was zo teleurgesteld in het leven en de wereld, dat hij zich vanaf dat moment richtte op de onsterfelijkheid, een leven na de dood.

Deze nieuwe fase in zijn dichterschap wordt zichtbaar met de publicatie van wat wel als Feiths meesterwerk wordt beschouwd, het leerdicht Het graf (1792). In dit werk, dat ook in het Frans en het Duits werd vertaald, rekent Feith af met het optimisme en het materialisme van de Verlichting. Het is een persoonlijk, melancholiek dichtstuk vol doodsverlangen.

O eeuw, zo rijk in praal, zo arm in waar genoegen!
O dorre wereld, voor een hart, dat teder gevoelt,
En op het hoge wit van zijn bestemming doelt!
De deugd doolt in u om, en smacht bij al uw luister;
Zij ziet in al uw glans niets dan een aklig duister.

Feith hield zich uitgebreid bezig met literair-theoretische kwesties, onder meer te vinden in Brieven over verscheide onderwerpen (1784-1793). Ook verdiepte hij zich in de moderne filosofie. Bestudering van het werk van Kant, waarover hij publiceerde in Brieven aan Sophië (1806), maakte hem echter ook al ‘treurig en droefgeestig’. Want kantianisme en christendom waren zijns inziens niet met elkaar te verenigen.

Bij zijn dood in 1824 werd Feith uitvoerig herdacht. Hij was op dat moment de geliefdste dichter van Nederland, geprezen om zijn literair talent, zijn menselijkheid en vooral om zijn vaderlandsliefde.

Meer hierover
Verder lezen
Feith zette het sentimentalisme op de literaire kaart van Nederland .
In het toneelstuk De Patriotten laat Feith zien wat een echte patriot is .