literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Juliana Cornelia de Lannoy
Breda 1738 - Geertruidenberg 1782

Juliana Cornelia de Lannoy was een van de beroemdste dichteressen uit de achttiende eeuw en dat wilde ze zijn ook. Ze was ervan overtuigd dat het onzin was dat vrouwen minder goed zouden kunnen schrijven dan mannen en ze deed er alles aan om dat te bewijzen. In haar debuutgedicht ‘Aan mijn geest’ (1766), een dialoog, waarin de schrijfster de tweestrijd tussen haar ‘ik’ (de traditionele jonkvrouw) en haar ‘geest’ (de geëmancipeerde dichteres) beschrijft, vraagt De Lannoy retorisch:

‘[...] viel de edele denkkracht
Ons niet net zo goed ten deel, als het mannelijk geslacht!
[...] is die ziel in ons zo groot niet van waardij?
Ik twijfel of dit ooit met grond bewezen zij.

Om te bewijzen dat vrouwen inderdaad niet onderdeden voor mannen specialiseerde De Lannoy zich in het schrijven van treurspelen, één van de moeilijkste genres. De dichteres nam zich voor minstens zo goed te worden als Pierre Corneille, beroemd Frans tragedieschrijver. Vervolgens publiceerde ze drie treurspelen over serieuze, favoriete achttiende-eeuwse thema’s als godsvrucht en vaderlandsliefde.

In een van die stukken, De Belegering van Haerlem (1770), nam De Lannoy de vaderlandse geschiedenis als uitgangspunt. Omdat ze als vrouw niet met wapens kon vechten, was dit voor haar een manier om toch iets te doen voor haar vaderland. Zo hield ze de geschiedenis levend en gaf ze tegelijkertijd een mooi voorbeeld van de moed en dapperheid van de Haarlemse bevolking. ‘Nooit heeft een vrouwenstem zo op het toneel gedonderd’, schreef een bewonderaar en recensenten prezen De Lannoy’s ‘mannelijke toon’ en haar ‘mannenbrein’. Het is de vraag of De Lannoy blij was met dergelijke opmerkingen, want ze was zeer kritisch ten aanzien van mannen:

De volmaakte man

Altijd aan het werk tot nut van het huisgezin
en ijverig om zijn ambt met glorie te bekleden
niet driftig, nooit geneigd tot wufte of dartele zeden,
bezorgd voor zijn belang, maar wars van slecht gewin;

aan het spel niet verslaafd, aan Bacchus’ vocht nog min,
bedacht om zelfs zijn vrije tijd nuttig te besteden,
geen laf bewonderaar van vreemde bevalligheden,
verliefd en teder, maar op zijn echtvriendin;

trouw tot in de dood aan edele vriendschapsbanden,
bereid om voor het land zijn leven te verpanden,
meedogend, beschaafd, oprecht, wijs, vriendelijk, zacht van geest.

Die man met zoveel deugd, met zoveel roem beschonken,
die man, zo dubbel waard in dichtlust mij te ontvonken,
is, naar ik merken kan, nog nooit op aarde geweest.

De Lannoy, die dit gedicht op haar 28ste schreef, trouwde nooit. Misschien ook omdat het dichterschap voor haar levensvervulling was: ‘Ik vind mijn liefste feest, mijn zoetste wellust weer,/Wanneer ik in mij zelf en tot mijn boeken keer’. Ze werd als eerste vrouw honorair lid van het Haagse dichtgenootschap ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’. En toen ze daar een zilveren medaille won op een prijsvraag over ‘De ware vereisten voor een dichter’ was ze tevreden: ‘Triumf, ik ben voldaan, ik zal onsterflijk zijn.’ De dichteres won in totaal vier dichtgenootschappelijke medailles. Ook haar bundel Dichtkundige werken (1780) werd enthousiast ontvangen. Omdat De Lannoy niets aan het toeval overliet, gaf ze haar halfbroer de opdracht om na haar dood haar onvoltooide werk te verbranden. Het resterende werk werd uitgegeven door een van haar grootste bewonderaars, de dichter Willem Bilderdijk.

Verder lezen
Schrijven was het belangrijkste voor haar - portret van Juliana Cornelia de Lannoy .
Gravure uit De Belegering van Haerlem (1770), een van de historische treurspelen van J.C. de Lannoy
Vijfde bedrijf, veertiende scène .