literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Lucretia Wilhelmina van Merken
Amsterdam 1721 - Leiden 1789

De beroemdste dichteres in de achttiende eeuw was Lucretia Wilhelmina van Merken. Betje Wolff was een groot fan van haar en schreef verschillende bewonderende brieven aan de schrijfster, die getrouwd was met de al even beroemde dichter-koopman Nicolaas Simon van Winter. In 1777: ‘U bent mevrouw Van Winter & ik ben maar een boerse domineesvrouw, heel goed; u bent de grootste dichteres van ons land & ik schrijf gerijmd proza; ik weet het’. Van Merken reageerde koel of helemaal niet. De dichteres liet zich liever niet zien in het grachtengordelcircuit. Een uitzondering maakte ze voor de verlichte kring dichters rond de Amsterdamse uitgever Pieter Meijer. In deze kring werkte ze vanaf 1758 mee aan verschillende psalmberijmingen. Een klassiek geworden psalm, nr. 42, is van haar hand: ‘’t Hijgend hert, der jacht ontkomen/schreeuwt niet sterker naar ’t genot/ Van de frisse waterstromen,/Dan mijn ziel verlangt naar God.’

In 1762 werd Van Merken op slag beroemd door het leerdicht Het nut der tegenspoeden. In dit gedicht, bijna 900 regels lang, betoogt de dichteres dat tegenslagen zinvol zijn in het leven. Ze houden de mensen bescheiden, relativeren en zorgen ervoor dat men niet ten prooi valt aan de vele verleidingen van het leven.

Ik zing, door leed geleerd, het nut der tegenspoeden,
Die op de zwakke mens in het rusteloze leven woeden;
Het lichaam en de ziel bestrijden, maar metéén
Die beide beschermen voor al de aantrekkelijkheên
Van de loze wereld, die steeds uit is op verleiden.
O lotgenoten, van uw liefste wens gescheiden!
Ik draag u deze zang op tot stilling van uw pijn:
Leer, met mij, in de ramp niet ongelukkig zijn:
U zag u, van de wieg tot op dit akelig heden,
Door storm op storm geschokt, door ramp op ramp bestreden,
En mogelijk verbergt uw afgefolterd hart
Voor ieders nieuwsgierig oog nog de allerwreedste smart.
Zijn het stormen van het toeval die u dus hevig treffen,
En telkens neerslaan als u zich op wilt heffen?
Nee: kijk wie het lijden zendt en, hoewel door rouw overmand,
Herken de tekens van Gods liefderijke hand.

Van Merkens belangrijkste boodschap was dat godsdienst een antwoord kon zijn op al het leed en verdriet in een mensenleven. En dat wilden de lezers graag horen, want Van Merkens werken gingen als warme broodjes over de toonbank. Dat kwam ook omdat de remonstrantse Van Merken godsdienst en geloof op een heel gevoelige, zelfs optimistische manier aan de man bracht. God was bij haar niet een straffende instantie, zoals bij veel streng-gereformeerden, maar een troostende persoon. En tegenspoed in het leven was dan ook eerder iets louterends, bijna een cadeautje. Want hoe kon je weten wat geluk was, als je niet ook ongeluk had meegemaakt? Van Merken wist overigens waarover ze sprak, want ze had zelf haar vader, moeder en zus achter elkaar verloren, voordat ze begon aan Het nut der tegenspoeden.

Het geloof dat Van Merken propageerde was een verlicht soort geloof. Het werd niet gedicteerd door Bijbelse dogmatiek – dus door abstracte geloofsvoorstellingen – maar door een persoonlijk vertrouwen in God. En juist poëzie kon deze ervaring omzetten in taal. Met haar volgende werk, het eveneens zeer goed verkochte heldendicht David (1767), wilde Van Merken dat opnieuw illustreren. Want was David niet, dankzij zijn trouwe geloof in God, koning van Israël geworden?

In 1774 en 1786 gaf Van Merken samen met haar man twee boekdelen uit met toneelstukken waarin godsdienst en vaderlandsliefde de belangrijkste thema’s waren. Na haar dood in 1789 heerste grote verslagenheid in de literaire wereld. Het Leidse dichtgenootschap ‘Kunst wordt door arbeid verkreegen’ sprokkelde het geld bij elkaar om een monumentje voor haar te plaatsen bij haar graf in de Oude Kerk in Amsterdam, maar het project werd nooit uitgevoerd. In de Oude Kerk hangt nog wel een gedenkplaat voor Van Merken én haar man Nicolaas van Winter, geschonken in 1828 door een ‘genootschap voor uiterlijke welsprekendheid’.

Verder lezen
Portret van Lucretia Wilhelmina van Merken, door H. Pothoven/Rein. Vinkeles (1792) .