literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Wolff en Deken
Vlissingen en Amstelveen 1738 en 1741 - Den Haag (beiden) 1804 (beiden)

Betje Wolff en Aagje Deken schreven samen boeken. Ze hadden totaal verschillende karakters, maar hun blik op de wereld was ongeveer dezelfde: kritisch en als het moest sarcastisch. En nog belangrijker: ze hadden groot literair talent. Ze waren beiden genadeloze waarnemers, en beschikten over een puntige, trefzekere schrijfstijl. In een aantal meerdelige, succesvolle briefromans beschreven ze het Nederland van eind achttiende eeuw en portretteerden ze de Nederlandse burgerij. Wie wat schreef, valt niet meer te achterhalen, maar dat ze niet zonder elkaar konden, lijkt vast te staan. Nadat Betje Wolff op 5 november 1804 was overleden, stierf negen dagen later ook Aagje Deken.

Wolff was de jongste dochter van een koopman en groeide op in Vlissingen. In 1755 liet zij zichzelf schaken door een jonge vaandrig die haar achterliet met een gebroken hart. Als reactie trouwde Betje op haar eenentwintigste met de dertig jaar oudere dominee Adriaan Wolff. Met hem woonde ze jarenlang op een pastorie in de Beemster. Toen de dominee in 1777 stierf had Wolff wat dichtbundels op haar naam staan en veel satirische gedichten en pamfletten waarin ze ten strijde trok tegen streng gelovigen. Daardoor was ze bekend, maar niet bij iedereen geliefd.

Aagje Deken was vanaf haar vierde wees en groeide op in het Amsterdamse weeshuis ‘De oranje appel’, waar ze een degelijke opvoeding kreeg. Daarna verdiende ze haar geld als gezelschapsdame, iemand die (meestal) oudere dames gezelschap houdt, en begon ze te dichten en te publiceren.

Wolff en Deken ontmoetten elkaar in 1776. Wolff was toen nog getrouwd, maar na de dood van dominee Wolff in 1777 verhuisde zij vanuit de Beemster naar De Rijp, waar ze ging samen wonen met Deken. Vanaf dat moment deden zij alles samen. ‘Hoor baasje! Wij doen alles in compagnie, tot verzen maken in t kluis’, schrijft Deken aan een goede vriend. Hoe dat samen schrijven aan een oeuvre in zijn werk ging, is tot op de dag van vandaag een raadsel. We weten bijvoorbeeld niet hoe lang de schrijfsters werkten aan hun bekendste roman, Sara Burgerhart. Ook is onduidelijk hoe de taakverdeling precies lag, maar vast staat dat Aagje Deken zeker niet minder werk verzette dan Betje Wolff. Volgens de jonge dichter Bellamy vulden ze elkaar perfect aan: ‘Bekker is de azijn. --- Deken de olie --- dat maakt samen een goede saus.’

In 1781 kocht Deken het buitenhuis Lommerlust in Beverwijk. In de tuin stond een rieten kluisje, een klein tuinhuisje waar de dames schreven. Hun eerste succesvolle werkje was Economische liedjes (1781), eenvoudige liedjes bedoeld als oppepper voor het werkende volk, dat kon lezen dat hard werken in feite een vorm van vaderlandsliefde was. Goed voor de economie van Nederland. Ook alle overige werken van Wolff en Deken hadden zo’n soort boodschap. De schrijfsters lieten de lezers door middel van hun romans nadenken over kwesties als opvoeding, vaderlandsliefde en het nut of onnut van religie.

Beroemd werden ze met Sara Burgerhart (1782), Nederlands eerste oorspronkelijke briefroman, waarin de jonge Sara de grenzen van haar vrijheid verkent. Daarna was het uit met de rust. Wolff klaagt dat ze voortdurend in hun schrijfwerk werden gestoord door nieuwsgierige starwatchers die de twee vriendinnen aan het werk wilden zien in hun kluisje. Niettemin volgden omvangrijke romans als Historie van den heer Willem Leevend (1784-1785) en Historie van mejuffrouw Cornelia Wildschut (1793-1796), de laatste roman geschreven vanuit Frankrijk.

Want nadat de stadhouder in 1787 de patriottenbeweging uit elkaar had geslagen, besloten de patriottische dames Nederland te verlaten. Ze verkochten Lommerlust, veilden al hun boeken en prenten en vertrokken in gezelschap van een Franse vriendin naar Trévoux in Midden-Frankrijk. De vlucht naar Frankrijk werd niet alleen om politieke redenen ondernomen, ook voor de gezondheid leek de Franse natuur beter. Jarenlang leidden Wolff en Deken een rustig bestaan: ‘Wij leven allen gezond, geacht, bemind en vrolijk, gaan ’s morgens ontbijten bij onze vrienden, dan de heerlijkste wandelingen doen, dan schrijven, dan eten, dan wat rusten, dan weer goûteren, dan op het een of andere buitengoed dansen, of naar de comedie.’ Ze wilden helemaal niet terug naar Nederland, maar toen bleek dat hun kapitaal door slecht beheer in rook was opgegaan, resteerde niets anders dan het aanvragen van een weduwepensioen. Daarvoor moesten de dames wel repatriëren.

In 1798 waren de schrijfsters terug, geëngageerder en idealistischer dan ooit. Ze schreven een radicaal politiek tijdschrift, de Politique Afleider (1798), dat niet werd gepubliceerd, omdat halverwege 1798, door middel van een staatsgreep een gematigd bewind aan de macht kwam. Wolff en Deken waren teleurgesteld, maar gingen lekker door met schrijven en vertalen. Hun humeur leed er niet onder. Een neef bij wie Wolff en Deken eind 1799 een maand lang logeerden schrijft: ‘in die maand dat zij hier waren hebben wij meer gelachen dan anders in vier dito’.

Verder lezen
.
Een van de opmerkelijkste schrijversduo’s uit de achttiende eeuw: Wolff en Deken .
De dames schreven bij voorkeur in het tuinhuisje .