literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Marcellus Emants
Voorburg 1848 - Baden (Zwitserland) 1923

De schrijver Marcellus Emants lijkt nogal wat feiten uit zijn echte leven gebruikt te hebben voor zijn romanfiguren. Zo was hij een ongemotiveerd scholier en student, die de dood van zijn vader aangreep om niet af te studeren. Daarin lijkt hij op Termeer uit Een nagelaten bekentenis. Net als Termeer leefde hij verder van de erfenis, zonder nog ooit een betrekking aan te nemen. Wat de vrouwen in zijn leven betreft kon hij ook wel uit een naturalistische roman weggelopen zijn. Zijn eerste vrouw overleed na twee jaar huwelijk, zijn tweede na twintig jaar. Zijn derde vrouw, een Berlijnse actrice, was een lastige, veeleisende luxepop. In dit laatste huwelijk kreeg Emants een kind, een ziekelijk dochtertje, dat door hem schromelijk verwend werd. Het huwelijk was een ramp.

Marcellus Emants stamde uit een gefortuneerde Haagse juristenfamilie en zijn vader dwong hem rechten te gaan studeren. Direct na de dood van zijn vader besloot hij zich helemaal aan de literatuur over te geven, en vooral ook veel te reizen, waar hij aan verslaafd was. Hij had een brede culturele belangstelling: muziek, schilderkunst, toneel, en deze kunsten beoefende hij op amateurniveau ook actief. Zijn debuut als schrijver maakte hij in een klein Haags tijdschriftje, Quatuor. Als snel richtte hij samen met vrienden nieuwe tijdschriften op, waarin veel aandacht uitging naar de buitenlandse letterkunde en de nieuwe muziek. In Spar en Hulst (1872) verscheen zijn eerste grote essay `Bergkristal’. In De Banier (1875-1880) verschenen zijn eerste reisverhalen, naast kritieken en beschouwingen. Als toneelschrijver debuteerde hij al in 1874 met het drama Juliaan de afvallige.

Emants werd al snel een omstreden schrijver. Dat had te maken met zijn opvattingen over literatuur. `U noemt mij pessimist, en ik aanvaard die naam’, schreef hij in een brief. Emants was geen vrolijke Frans en beschouwde het leven als een grote aaneenschakeling van teleurstellingen. Hij noemde het leven zinloos. In ware liefde kon hij niet geloven, maar wel meende hij dat de mens voortgezweept wordt door zijn seksualiteit. In 1879 kreeg hij ruzie met de redactie van zijn eigen blad De Banier over zijn novelle `Een avontuur’, waarin hij een ongetrouwd meisje haar hartstocht laat volgen. De redactie was bang abonnees te verliezen onder `fatsoenlijke dames en bestuurderen van deftige leesgezelschappen.’ Emants besloot vervolgens het verhaal met twee anderen in boekvorm te publiceren. Onder de titel Drie novellen verscheen de bundel, met een verdediging van Emants. Natuurlijk zijn er wat schaarse engelen onder de mensen, zo schrijft hij, maar nog meer duivels, en voor de kunstenaar zijn de duivels veel interessanter.

Na dit boek volgen de naturalistische romans waarmee Emants bekend is geworden. In Inwijding (1901) is de hoofdpersoon een chique hoer. In Liefdeleven (1916) herkenden de Haagse lezers Emants’ eigen neurotische vrouw. In dit boek nam hij ook een discussie op over de zieke mens als romanfiguur. Er waren literatoren die meenden dat de literatuur niet geschikt was voor pathologieën (ziektebeschrijvingen), maar Emants meende dat elk mens wel iets pathologisch in zich had, en de psychische ziekte dus ook in de roman hoorde. Een nagelaten bekentenis (1894) geldt als zijn meesterwerk.

Emants schreef behalve verhalen en novellen ook toneelstukken, reisschetsen, beschouwingen en lange gedichten. In 1879 publiceerde hij het lange dichtwerk Lilith, waarin hij zich minder naturalistisch opstelde dan in zijn proza. Datzelfde geldt voor Godenschemering (1883). Hij leek hierin in een geestenwereld te geloven. In latere jaren experimenteerde hij met spiritistische séances. Zijn toneelstukken zijn vrijwel vergeten, maar als amateur-toneelspeler en regisseur kreeg hij in Den Haag de handen op elkaar.

Alleen in het begin van zijn literaire carrière maakte hij deel uit van een groep. In Den Haag waren enkele jongeren hevig geïnteresseerd in het Frans naturalisme van Zola en de gebroeders Goncourt, en in de muziek van Wagner, en met deze jongeren had Emants contact. Hoewel de Tachtigers hem als een voorloper beschouwden, voelde hij zelf geen verwantschap. Zijn pessimistische filosofie wordt vaak met die van Schopenhauer in verband gebracht.

Aan het eind van zijn leven werd Emants steeds somberder. Zijn gezondheid ging achteruit, zijn vrouw liet hem verkommeren. Ze leed aan zenuwaanvallen en bracht geregeld enige weken door in een neurologische kliniek. Zijn vrouw beschouwde hem als de oorzaak van haar ellende, en meende dat hij in behandeling moest. Emants verkocht in 1919 zijn huis en leefde verder in hotels. Hij schreef aan een vriend: `Was mijn leven toch maar uit! Zelfmoord? Ja als voor mijn vrouw dan lijfrente niet verloren ging’. Zijn laatste brief is van augustus 1923. `Pijnen ondragelik. Ik snak naar het einde.’ Hij overleed op 14 oktober in een Zwitsers hotel.

Verder lezen
Marcellus Emants omstreeks 1880 .
Eva Emants (1909-1985), dochter van Marcellus Emants. Medaillonportretje uit 1912. Door F. Fischer, Berlijn.